Het lijden is een gelegenheid tot overwinning of tot nederlaag

Het lijden is, net zoals een bekoring, een gelegenheid tot overwinning of tot nederlaag. Een reden te meer om in gebed en in de eenzaamheid met God de kracht te zoeken tot aanvaarding van hetgeen waaraan wij toch niet kunnen ontsnappen: het lijden in ons aardse bestaan. Niet het lijden kunnen wij weghalen, maar de manier waarop wij daarmee omgaan. Wij kunnen het lijden vruchtbaar maken doordat wij daarin een gemeenschap met Jezus zoeken, doordat wij het lijden dragen in liefde, uit dankbaarheid voor onze verlossing. Wij kunnen deze vruchtbare realiteit ook afwijzen en bitterheid over ons aardse bestaan opwekken. Deze laatste keuze geeft geen toegang tot Gods levengevende gemeenschap, het eeuwig leven, maar verlokt de mens tot compensatie van het lijden door allerlei plezierzucht, en maakt hem blind voor het hogere doel van het menselijk leven. Dat doel is om reeds tijdens het aardse leven de gemeenschap met God te zoeken en om dit huidige leven te heiligen met de genade die God geeft door het leven in de Kerk, het Lichaam van Christus. Dit lichaam opent voor ons een oneindige geestelijke rijkdom en werkelijkheid.

Want verenigd in het mystieke lichaam brengen wij een gezamenlijk offer, dat allen ten goede komt. Ons lijden, geheiligd door de verheven vriendschap met Christus, helpt om hen te heiligen, die nog niet geloven, en om hen die in het lijden geen zin zien tot Christus en tot God te voeren. Op deze wijze wordt al het lijden dat ons ongevraagd overkomt een uitmuntend apostolaat. Dit is de wonderbare uitwerking van onze eenheid met Christus Die Zelf voor alle tijden en voor alle mensen heeft geleden. Hij vraagt van ons dat wij ons lijden met geduld en met liefde dragen, want de vrucht van het lijden is de verlossing.

>>>  https://www.agneskerk.org/

De Rozenkrans, ons Machtige Wapen

“We hebben tegenwoordig een strijd in de wereld, die velen niet willen kennen; een geestelijke strijd. En deze is nog erger dan alle anderen. Een van de gevaarlijkste satanische aanvallen stort zich op de Kerk en op alles, dat de naam Christelijk draagt, het overvalt de wereld, en deze laatste is het slachtoffer van een duivelse bezetenheid. In het zicht van dit gevaar blijf ik, de Koningin van de Heilige Rozenkrans, zegevierend in alle grote veldslagen van de Christenheid. Gij zult mij nooit tevergeefs aanroepen.” – Zo sprak de Moeder Gods in Kerizinen op 7 oktober 1961. Zij sprak duidelijk van een strijd of oorlog, een weliswaar geestelijke strijd.

Voor een strijd zijn echter ook wapens noodzakelijk. Hoe groter en sterker de vijand is, des te machtiger, aan strijd en vijand aangepaste wapens men nodig heeft. Maria is echter niet voor niets de meest wijze en verstandigste Koningin.

Als zij ons tot de strijd oproept, en wel tot de strijd tegen Satan, dan zorgt zij ook voor passende wapens, die zij zelf uitgevonden heeft. Het gaat om een geestelijke strijd, en daarvoor hebben wij ook een geestelijk wapen nodig, dat zo sterk en machtig is, dat het alle aanslagen en aanvallen van de Satan vermag te vernietigen. Dit wapen is de Heilige Rozenkrans.

Strijd en wapen. Het is eigenlijk niets nieuws, geen nieuwe boodschap, alleen de herhaling van die in de H.Schrift staat, haast ononderbroken leert zij ons, dat wij altijd tegen de Boze moeten strijden. Zo lezen wij in het boek Job: “Strijd is het leven van de mens op aarde.” Jezus zelf heeft zeer dikwijls over deze strijd of dit gevecht gesproken.

De H.Paulus beschrijft tot in details deze strijd in zijn brief aan de Efeziërs (6.10-18). Hij schrijft: “Ten slotte! Weest sterk in de Heer en in zijn sterke kracht! Legt aan de wapenrusting Gods, om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. Want niet tegen vlees en bloed geldt onze strijd, maar tegen heerschappijen en machten, tegen wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de lucht. Grijpt daarom naar de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden op de boze dag, en pal te blijven staan, na alles te hebben volbracht. Op dan! Uw lenden omgord met de waarheid, en het pantser der gerechtigheid om; de voeten geschoeid met bereidwilligheid voor de blijde Boodschap van vrede; het schild van het geloof steeds voor u uit, om al de vurige pijlen van de Boze te kunnen smoren; grijpt naar de helm van het heil en het zwaard van de Geest; dit is het woord van God. Blijft bidden in de Geest, te allen tijde met gebed en smeking in allerlei vorm; draagt daarbij zorg, om ook met grote volharding voor alle heiligen te blijven bidden.”

Waarom deze nooit aflatende strijd? Omdat de tegenstander, de vijand van God en onze vijand, ons geen rust laat. In de Openbaring van Johannes lezen wij: “Wee echter de aarde en de zee! Want de duivel is tot u neergedaald… Nu ontstak de Draak in woede tegen de Vrouw; hij maakte zich gereed, om de strijd te voeren tegen de rest van haar kinderen, tegen hen, die de geboden van God onderhouden, en het getuigenis van Jezus bezitten.” (12.12-18) De H.Schrift en de werken van de heilige Kerkleraren bevestigen de nooit rustende boosheid, wreedheid en arglist van de hel, die, als het mogelijk was, alle leden van de H.Kerk in de eeuwige verdoemenis zou willen sleuren. Het gaat om een strijd, die velen niet willen kennen, zoals de Moeder Gods het in Kerizinen geopenbaard heeft.

Nu bekijken wij in het kort, hoe deze strijd voor iedere afzonderlijke ziel uitgevoerd wordt.

De Strijd

Vanaf het ogenblik van de ontvangenis voeren de engelen veel en hevige strijd tegen de duivel om het hun toevertrouwde schepsel te verdedigen. De duivels beweren een recht op dat schepsel te bezitten, omdat het met de erfzonde ontvangen is en daarmee een kind van de vloek is, de goddelijke genade en vriendschap onwaardig, in één woord hun slaaf. De engel daarentegen verdedigt het. Ook al zou het kind met de erfzonde belast zijn, dan heeft het deze door de natuur opgelopen. De schuld ligt bij de eerste ouders, niet bij de wil van het kind. God heeft het ongeacht deze zonde geschapen, opdat het Hem kenne, Hem love, Hem diene en krachtens het lijden en de verdiensten van Christus de eeuwige heerlijkheid verwerven kan. Zulke bedoelingen vermogen enkel de wil van de satan geenszins te verijdelen. (Zr. Maria van Agreda. B.7. hfdst.15)

Dikwijls doen de duivels gelden, dat de ouders bij de verwekking van het kind niet de juiste bedoeling en mening gehad hebben. Gaat het om echtelijke kinderen, dan doen de engelen gelden, dat de ouders het H.Sacrament van het Huwelijk en de zegen van de Kerk ontvangen hebben. Bezitten de ouders bovendien zekere deugden; milddadigheid voor de armen, barmhartigheid, vroomheid en de verdiensten van andere goede werken, dan gebruiken de engelen deze als wapens tegen de boze geesten, om op die manier hun beschermelingen te verdedigen.

Hebben de ouders zelf generlei verdiensten of deugden, zijn zij integendeel zondig en slecht, dan voeren de engelen tot bescherming van het arme schepsel de verdiensten van zijn voorouders, grootouders, broers en zusters, de gebeden van vrienden en van de H.Kerk aan.

Al deze gevechten alsook de daarbij gebruikte wapens zijn van geestelijke aard, zoals ook de goede en kwade engelen geestelijke wezens zijn. De machtigste wapens tegen de kwade geesten zijn de goddelijke waarheden en geheimen: Gods Waarachtigheid! Het geheim van de Allerheiligste Drievuldigheid, de geheimen van Onze Heer Jezus Christus, de Verlossing (zie de geheimen van de Rozenkrans), Zijn oneindige Liefde, waarmee Hij ons bemind en verlost heeft. Verder de Heiligheid en zuiverheid van de Allerheiligste Maagd Maria. Haar geheimen (Rozenkrans) en verdiensten. Over deze geheimen verkrijgen de kwade geesten tijdens deze strijd nieuwe inzichten. Daartoe worden zij door de engelen en door God zelf gedwongen. Dan gebeurt het, dat, zoals de H. Jacobus zegt, de duivels geloven en beven. Deze waarheden verschrikken en pijnigen hen dermate, dat zij, om niet te veel daarop te hoeven letten, zich in de afgrond storten. Wegens hun haat tegen de geheimen van Jezus Christus (de geheimen van de Rozenkrans) zijn de kwade geesten door de gedachten hieraan meer gepijnigd dan door het vuur dat hen kwelt. (Zr. Maria van Agreda)

De aanvallen van de kwade geesten alsmede de verdediging door de Heilige Engelen worden na de geboorte van het kind voortgezet. De duivel wendt alle middelen aan, het H.Doopsel te verhinderen. Doch de onschuld van het kind schreit tot de Heer met de woorden van Koning Ezechias: “Heer, ik lijd geweld, sta mij toch bij in mijn nood” (Is.38.14).  Zo roepen de engelen in naam van het kind. 0p deze leeftijd waken de engelen met grote zorgvuldigheid over de kleinen, omdat zij zichzelf niet kunnen helpen en omdat zelfs de grootste waakzaamheid van diegenen die zich om hen bekommeren, de dreigende gevaren niet kunnen afwenden.

Diegenen, die het geluk hebben, het H.Doopsel en daarna het H. Vormsel te ontvangen, ondervinden aan deze H.Sacramenten een machtige bescherming tegen de hel, krachtens het eeuwigdurend merkteken, dat deze sacramenten schenken, en ook krachtens de genade van de rechtvaardiging, door welke de dopeling als kind van God en erfgenaam van de hemel wedergeboren wordt. Daartoe behoren nog de ingestorte goddelijke en zedelijke deugden, waarmee zij gesierd en gesterkt worden. Uiteindelijk krachtens de deelname aan de overige sacramenten en aan de voorbede van de Kerk, waarin aan hen de verdiensten van Christus en Zijn Heiligen geschonken worden. (Zr. Maria van Agreda)

Heeft de mens het volledig gebruik van zijn verstand verkregen, dan wordt de strijd tussen de kwade en goede engelen nog heviger. Zodra wij namelijk een zonde begaan, zoekt de helse slang met aanwending van al haar arglist het daartoe te leiden, dat wij, voordat wij boete doen, het leven verliezen en dan eeuwig verloren gaan. Konden de mensen zien, hoeveel netten en valstrikken de satan gelegd heeft en wel terwille van hun eigen zonden, dan zouden allen bij iedere stap, die zij doen, sidderen!

Met alle macht zoekt de kwaadaardige vijand te bewerken, dat de mensen hun zonden vermenigvuldigen, zodat de maat van hun schuldenlast snel vol is en de tijd voor boete en die voor het leven voor hun ingekort wordt. De Heilige Engelen echter, die zich over de bekering van de zondaars verheugen, doen alle moeite, de kinderen van de Kerk zoveel mogelijk van het zondigen af te houden. Wanneer het hun desondanks niet gelukt, de zondaars tot bekering te bewegen, vragen zij om bemiddeling bij de Heilige Maagd Maria. Zij smeken Haar, Middelares bij Haar Zoon te zijn en haar hand op te heffen, om de kwade geesten weg te jagen.

Opdat echter de zondaar de goedige barmhartigheid van Maria zich enigermate waardig zou maken, trachten de engelen de hun toevertrouwde zielen een bijzondere vrome aandacht tot de Hemelkoningin bij te brengen en hen tot een of ander goed werk ter ere van Maria te bewegen, waarmee zij het dan aan de Hemelkoningin kunnen opofferen.

Op deze manier ontkomen talloze zielen aan de ketenen van de zonde en daarmee ook aan de klauwen van de helse Draak. Talloos zijn de zielen, die in een zo vreselijke toestand geraken, dat zij de machtige arm van de Hemelkoningin nodig hebben, om daaruit bevrijd te worden. De duivels zijn buiten zich zelf van woede, als zij zien, dat een zondaar Maria aanroept of slechts aan haar denkt. Zij weten, dat, als Maria ingrijpt, Zij de zaak van de zondaar tot de Hare maakt, en dat voor hen dan noch hoop noch een of andere kracht tot tegenstand overblijft. (Zr. Maria van Agreda)

Het Wapen

Hoe echter werkt de Rozenkrans als wapen? Zoals wij het hierboven uitgewerkt hebben, pijnigen de geheimen van de menswording van Jezus Christus en de Verlossing de Satan en alle kwade geesten het meest. Deze geheimen echter zijn niets anders dan de geheimen van de Rozenkrans. Als men dan de Rozenkrans beschouwend en met aandacht bidt, worden de kwade geesten door de H.Engelen, in het bijzonder door de engelbewaarder gedwongen, op deze geheimen te letten. Terwijl echter de beschouwing van deze geheimen voor de kwade geesten onverdraaglijk is, wijken zij direct en storten zich liever in de hel terug. Men moet bijgevolg alle moeite doen, de Rozenkrans eerbiedig en beschouwend te bidden. Dit lukt natuurlijk niet altijd, omdat wij geen engelen maar mensen zijn. Wij moeten ondanks dat in het Rozenkrans-bidden volharden, want als wij ook niet steeds aan de geheimen kunnen denken, is het bidden van de Rozenkrans tenminste nog een zich-aan-God-herinneren, iets bovennatuurlijks, zoals dat Lucia van Fatima in een brief geschreven heeft. Ook dit is voor de kwade geesten pijnlijk.

Alleen al de gebeden van de Rozenkrans, de geloofsbelijdenis, het Onze Vader, het Ere zij de Vader…, het Fatima gebed en bijzonder het zo vaak herhaalde Wees gegroet Maria, pijnigen onuitsprekelijk de Draak en alle kwade geesten, dat dit hen afkeer inboezemt.

Ik wil hier niet nader op de afzonderlijke geheimen ingaan, men zou dan over elk een artikel kunnen schrijven, wat hier te ver gaat. Gedurende de gehele Rozenkrans beschouwen wij het grootste werk van God, de Menswording van Zijn Zoon en de Verlossing van de gevallen mensheid. Heel kort samengevat kunnen wij zeggen, dat wij in de blijde geheimen de onuitsprekelijke nederigheid van Maria en Jezus beschouwen kunnen. Deze nederigheid is voor de vermetele hoogmoed van de Draak en zijn aanhang onverdraaglijk.

In de droeve geheimen kunnen wij de oneindige liefde van God beschouwen. De liefde van God de Vader, die ons zo beminde dat Hij Zijn Zoon voor ons gegeven heeft. De liefde van Jezus Christus, die zich voor ons op het kruis opgeofferd heeft; ook de liefde van de Moeder Gods, die Haar Zoon voor ons gegeven en met Hem alles meegeleden heeft. Omdat de wrede geesten vol van haat zijn, worden zo deze geheimen van Gods oneindige liefde voor hen tot een onverdraaglijke kwelling.

In de glorievolle geheimen beschouwen wij de overwinning van Jezus Christus over de dood en de zonde, de triomf en de verheerlijking van Maria en de nederlaag van Satan. Het zijn opnieuw geheimen, welke de kwade geesten zodanig pijnigen, dat zij zich liever in de hel storten, dan deze verdragen.

Hopelijk begrijpen wij tenslotte, wat voor een machtig wapen wij in handen hebben, als wij de Rozenkrans bidden, bijzonder echter, wanneer wij hen eerbiedig bidden. Zouden alle gelovigen de Rozenkrans met eerbied bidden, dan zouden in weinig minuten alle kwade geesten van de aarde verdreven zijn en een onvoorstelbare vrede zou op de gehele aarde zijn intrek doen.

We hebben begrepen, hoe verschrikkelijk en onverdraaglijk de Rozenkrans voor de kwade geesten is. Daaruit volgt, dat, als iemand tegen het Rozenkransgebed is, hetzij een bisschop, priester of leek, hij een dienaar van Satan en een vijand van God is.

Groot is de kracht van het leger, die niet de degen, maar de Rozenkrans in de hand heeft.” (Pius IX)

Het grote reddingsmiddel, dat dieper ingrijpt dan alle diplomatie, geweldiger werkt dan alle organisaties, is de Rozenkrans. De bidders verrichten meer voor het welzijn van de mensheid dan de redenaars, de organisatoren, de stichters, de secretarissen, de afgevaardigden.” (Leo XIII)

Wij moeten iedere dag de Rozenkrans bidden, het is het gebed, dat Onze Lieve Vrouw op speciale wijze aanbevolen heeft, als het ware als wilde Zij ons voor deze dagen van de duivelse veldtocht daartegen voorbereiden.” (Lucia van Fatima)

De Rozenkrans is voor velen een onbekende. Ook voor hen, die hem bidden. Want men kan hem bidden, zonder hem te kennen. De rozenkrans is niet op de eerste plaats de veelvuldige herhaling van enige gebeden. Hij is voor alles werkelijke beschouwing. Als de tirannen wisten, wat voor een macht wij Rozenkransbidders in de hand hebben, zij zouden de rozenkrans met bedreiging van gevangenis en landuitwijzing verbieden.” (prelaat Robert Mader)

Pater Johannes Dlustusch, SDB, feestdag van de Heilige Rozenkrans, 7 oktober 1980.