Getuige van Aanwezigheid

Getuige van Aanwezigheid

Kennis, persoon en priesterschap in dialogisch perspectief bij Maurice Zundel

De titel Getuige van Aanwezigheid. Kennis, persoon en priesterschap in dialogisch perspectief bij Maurice Zundel drukt in één beweging de kern uit van dit werk en van de weg die erin wordt verkend. Het woord getuigeduidt niet op een functie of rol, maar op een existentiële houding: iemand die leeft vanuit wat hem is toevertrouwd en dat niet bezit, maar doorlaat. Aanwezigheidraakt aan het hart van Zundels denken én van het priesterschap zelf: God is geen idee of project, maar een levende Aanwezigheid die ontvangen wil worden in het innerlijk van de mens. De samenhang van kennis, persoon en priesterschapweerspiegelt nauwkeurig de opbouw van dit boek, waarin kennen niet wordt losgemaakt van liefhebben, persoon-zijn niet van relatie, en priesterschap niet van innerlijke Godsontmoeting. Door expliciet te spreken van een dialogisch perspectiefonderscheidt deze studie zich van louter academische benaderingen: hier gaat het niet om afstandelijke analyse, maar om een theologie die geworteld is in ontmoeting, wederkerigheid en vrijheid. Zo is deze titel theologisch en tegelijk spiritueel geladen.

Voorwoord

Dit werk is ontstaan uit een groeiend innerlijk onbehagen bij een manier van spreken en denken over geloof, Kerk en priesterschap die steeds functioneler en horizontaler lijkt te worden. In een tijd waarin processen, structuren, plannen en participatie centraal staan, dringt zich de vraag op of daarmee wel geraakt wordt aan wat wezenlijk is. Want waar veel gesproken wordt over God, lijkt het soms stiller te worden voor God.

De overtuiging die aan dit boek ten grondslag ligt, is eenvoudig en tegelijk veeleisend: werkelijke vernieuwing van Kerk en priesterschap kan alleen groeien vanuit een hernieuwde aandacht voor de innerlijke Godsontmoeting. Niet als bijkomstige spiritualiteit, maar als dragende bron. Zonder die bron verwordt theologie tot uitleg, pastoraat tot management en synodaliteit tot overleg. Met die bron daarentegen wordt alles opnieuw transparant voor genade.

Het denken van Maurice Zundel heeft mij geholpen deze intuïtie te verwoorden en te verdiepen. Zundel is geen systeemdenker en geen architect van kerkelijke modellen. Hij is bovenal een getuige van de innerlijke weg: de weg waarop de mens zijn egocentrische geslotenheid verlaat en leert wonen in de ruimte van de Ander. Zijn begrip van kennis van persoon tot persoon opent een perspectief waarin kennen, liefhebben, vrijheid en Godsontmoeting niet langer gescheiden domeinen zijn, maar elkaar wederzijds dragen.

Vanuit dit perspectief wordt ook het priesterschap in een ander licht geplaatst. De priester is dan niet in de eerste plaats degene die organiseert, oplost of vertegenwoordigt, maar iemand die leeft uit ontvangen aanwezigheid en die anderen helpt diezelfde Bron te ontdekken. Priesterlijke bemiddeling krijgt zo het karakter van doorzichtigheid: ruimte laten, wekken, begeleiden – zonder te bezitten of te beheersen.

Dit boek wil daarom geen afgeronde conclusies presenteren, noch pasklare antwoorden bieden op de vele vragen waarvoor Kerk en priesterschap vandaag staan. Het wil eerder uitnodigen tot een houding: tot verinnerlijking, ontvankelijkheid en onderscheiding. Het is geschreven vanuit de overtuiging dat alleen wie zelf leeft uit de ontmoeting met de Levende, werkelijk getuige kan zijn van Zijn aanwezigheid in het leven van anderen.

Moge dit werk gelezen worden als een bescheiden bijdrage aan die weg – een weg van stilte, van bekering en van vertrouwen – waarop de Kerk, en in het bijzonder haar priesters, opnieuw leren leven uit de Bron die haar is toevertrouwd.

Pastoor Geudens

Inhoud

Titel

Voorwoord

Deel I — Kennis van persoon tot persoon bij Maurice Zundel

Deel II — Godsontmoeting en bemiddeling in dialogische visies

Deel III — Twee persoonsbegrippen en het persoonsbegrip bij Zundel

Deel IV — Maurice Zundel en de weg van het priesterschap vandaag

Slotwoord

Bronvermelding

Korte kennismaking met Maurice Zundel


Deel I — Kennis van persoon tot persoon bij Maurice Zundel

Inleiding

In een cultuur en theologische praktijk die sterk wordt bepaald door objectiverend denken, methodische analyse en functionele communicatie, dreigt het persoonlijke karakter van geloof en Godsontmoeting naar de achtergrond te verdwijnen. God wordt gemakkelijk benaderd als een idee, een leerstuk of een moreel beginsel, terwijl ook de mens vaak wordt herleid tot object van kennis, zorg of pastoraal handelen. Hierdoor ontstaat een spanningsveld tussen kennen en ontmoeten, tussen weten over God en leven met God.

Tegen deze achtergrond stelt zich de fundamentele vraag: is er een vorm van kennen mogelijk die de mens niet van buitenaf benadert, maar hem van binnenuit raakt, en die tegelijk een werkelijke ontmoeting met God mogelijk maakt zonder de vrijheid en onaantastbaarheid van de persoon te schenden? Met andere woorden: hoe kan kennis zelf relationeel worden, existentieel, en dragend voor geloof, spiritualiteit en bemiddeling?

Het denken van Maurice Zundel biedt op deze vraag een radicaal en uitdagend antwoord. Vanuit een personalistische en dialogische visie ontwikkelt hij het begrip kennis van persoon tot persoon: een kennen dat niet objectiverend is, maar geboren wordt uit eerbied, innerlijkheid en liefde. Deze benadering heeft verstrekkende gevolgen voor de visie op Godsontmoeting, menselijke relaties, sacramentele bemiddeling en het priesterschap zelf.

De volgende tekst onderzoekt deze vorm van kennen bij Zundel, haar spirituele en theologische fundamenten, en haar betekenis voor wie geroepen is tot dienst aan God en aan de mens.

Naar M. Zundel, Die God, deze mens, Nederlandse vertaling,(Hilversum 1978), p. 45–57.

Kennis van persoon tot persoon

Maurice Zundel benadrukt dat de mens, door een juist en evenwichtig gebruik van zijn verschillende ken-middelen (in het kader van de kenleer), kan komen tot een geleefde, dat wil zeggen werkelijke en existentiële, ontmoeting met God. Een verantwoord en zuiver gebruik van deze ken-middelen brengt de mens niet alleen tot inzicht, maar voert hem daadwerkelijk nader tot God. – Maurice Zundel.

In wat Zundel de bewustwording van de onaantastbaarheid noemt, ontdekt de mens dat er in hem een innerlijk domein bestaat waar niemand kan binnentreden: een gebied dat hem exclusief toebehoort en waarover hij alleen kan beschikken. Het gaat hier om de door zelfervaring ontdekte onaantastbare innerlijkheid. Deze ervaring raakt aan het diepste en meest kwetsbare punt van de menselijke persoon; zij vormt het centrum van diens unieke eigenheid en onderscheidt hem wezenlijk van ieder ander levend wezen.

Juist hier kan de mens, aldus Zundel, “op heel concrete wijze bewijzen dat hij mens is”: enerzijds door te protesteren wanneer deze innerlijkheid wordt miskend, anderzijds door zich te openen voor vriendschap wanneer zij ten volle wordt erkend. Geen gave is kostbaarder dan het eerbiedigen van deze innerlijke ruimte.

Voor de vorming van mensen en voor elke authentieke communicatie geldt daarom dat men steeds rekening moet houden met het feit dat de eigenheid van iedere persoon van binnenuit ontvangen is. De bijzondere autoriteit die van Jezus uitging, houdt rechtstreeks verband met dit unieke vermogen: Hij wist mensen te raken in de wortel van hun bestaan door hun een nieuwe blik op zichzelf te schenken.

Dit wordt treffend geïllustreerd in het evangelieverhaal van de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de put (Joh. 4,1-42). Jezus is daar vastbesloten de vrouw te redden door haar te confronteren met haar eigen innerlijkheid. Zijn eerste vraag — “Geef Mij te drinken” — drukt in feite Zijn dorst uit naar haar geest. Wanneer Hij vervolgens zegt: “Ga uw man roepen en kom hier terug”, wordt zij onontkoombaar met zichzelf geconfronteerd. Vanuit deze zelfontdekking kan zij uiteindelijk belijden: “Ik zie dat Gij een profeet zijt.”

Vanaf dat moment is zij bereid in zichzelf de bron te ontdekken waarheen Jezus haar wilde leiden. Het ware heiligdom — de plaats waar God wil wonen — blijkt in haarzelf gelegen te zijn. Dit heiligdom moet worden opgebouwd door het hart volledig te openen voor die oneindige Bron die inniger is aan de mens dan hij zichzelf is. De vrouw kwam om water te putten; zij gaat weg met lege kruik, maar met een hart waarin een bron is gaan opborrelen tot eeuwig leven.

Van nu af worden mensen geroepen om in zichzelf het heiligdom te ontdekken van de Levende God. Dat is geen kleine stap. Het vraagt een radicale verandering, een nieuwe geboorte die ons in staat stelt ons eigen innerlijk werkelijk te bereiken. Hier loopt een onuitwisbare scheidslijn: tussen elke vorm van bijgeloof of zelfbedrog enerzijds, en een waarachtige benadering van het goddelijke anderzijds.

De geboorte van God in de mens is namelijk de voorwaarde voor de geboorte van de mens in zichzelf. Alleen wanneer wij de Aanwezigheid in ons ontmoeten, kunnen wij de egocentrische monoloog van onze fundamentele eenzaamheid overstijgen en binnengaan in een dialoog van liefde, mogelijk gemaakt door de genade. Pas dan verandert het hebberige, naar zichzelf gekeerde ik in een onbaatzuchtig ik.

Dat wordt op indrukwekkende wijze verwoord in een gebed van Augustinus in zijn Belijdenissen:
“Laat heb ik U bemind, Schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik U bemind. Want Gij waart binnen en ik was buiten. Daar was het dat ik U zocht: mij stortend op de mooie dingen die Gij hebt gemaakt. Gij waart bij mij, maar ik was niet bij U.”

Augustinus schreef dit vijftien jaar na zijn bekering. Het gebed draait om twee woorden: ‘binnen’ (intus) en ‘buiten’ (foris). Ze verduidelijken elkaar door hun scherpe tegenstelling. Men is binnen of buiten — er is geen tussenweg. Het gaat hier niet om het binnengaan van een huis, maar om het binnentreden in zichzelf.

Hoe komt een mens tot dat ‘zelf’? Dat is precies de worsteling die Augustinus tot in de diepte heeft doorleefd. Na een lange zoektocht, met vallen en opstaan, en met de pijn van onbeheerste verlangens, komt hij tot het pijnlijke inzicht: ik was buiten. Met andere woorden: ik was niet in staat om werkelijk bij mijzelf binnen te gaan. Dat ene woord ‘buiten’ zegt meer dan een hele reeks psychologische analyses.

In het ‘binnen’ ontmoet Augustinus God. Dit intus blijkt een wezenlijke eigenschap van de goddelijke Schoonheid. De ervaring is gericht op Gods innerlijkheid. Het beslissende inzicht is dit: niet de mens wekt uit eigen kracht zijn innerlijk, maar God wekt het ‘intus’ in de mens. God is het die ons wakker schudt voor ons eigen innerlijk. Uiteindelijk vindt de mens zichzelf in deze geheimzinnige Gast die zich in hem openbaart.

Daarom kan Augustinus hierover alleen spreken in de taal van bewondering en gebed. In die aanbidding wordt de identiteit van zijn liefde zichtbaar. Die identiteit ligt allereerst in de mens zelf: ons bestaan wordt pas werkelijk doorzichtig wanneer het zelfgave wordt aan het oneindige Goed dat in ons verborgen is. Dat is de enige weg naar ons ware wezen.

Voor ons, als priesterstudenten, is dit een fundamentele les. De totale zelfgave kan alleen groeien in het contact met het volmaakte Goed, omdat alleen God het is aan wie de mens zich volledig kan toevertrouwen. God leidt ons van binnenuit naar ons ware ik, doorheen een metanoia — een omkering, een omvorming van heel ons bestaan tot liefde. En juist die liefde is de kern van onze vrijheid én van ons priesterlijk leven.

Na wat tot nu toe is gezegd, wordt duidelijker wat Zundel bedoelt met ‘kennis van persoon tot persoon’. Voor hem is dit de hoogste vorm van kennen binnen de natuurlijke orde. De menswetenschappen benaderen de mens noodzakelijkerwijs als object: zij onderzoeken menselijk gedrag en verschijnselen binnen de grenzen van hun methode. Maar kennis van persoon tot persoon gaat daarbovenuit. Zij richt zich juist op datgene in de mens wat zich niet laat objectiveren.

In deze vorm van kennen erkennen wij de mens in zijn eigen, unieke waarde, in de onaantastbaarheid van zijn bewustzijn. De mens is geroepen steeds meer persoon te worden. Die roeping vindt haar fundament in het respect dat ieder opeist voor de menselijkheid die hij in zichzelf draagt. Dit veronderstelt een scherp en levendig bewustzijn van het diepste innerlijk van de mens, een waakzame aandacht voor wat zich vanbinnen afspeelt, én een voortdurende betrokkenheid daarop in zelfreflectie. Daarom openbaart kennis van persoon tot persoon zich uiteindelijk als een kennen dat doortrokken is van liefde.

Wie het ware gelaat van de ander wil ontdekken, moet daar een prijs voor betalen. Dat gebeurt niet door louter te observeren, maar door de ander innerlijk toe te laten, door hem in zich op te nemen. Alleen zo kan echte betrokkenheid groeien. Wanneer men de ander werkelijk laat zijn wie hij is, in zijn anders-zijn, kan wederkerigheid ontstaan. Die wederkerigheid, gedragen door liefde, kan uitgroeien tot volmaakte liefde. Volmaakt is zij wanneer de innerlijkheid van de één doorschijnt in die van de ander, als een uitwisseling van een oneindige Aanwezigheid waarin bezit wordt uitgesloten.

In deze visie zijn kennis en liefde onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor Zundel is dit het hoogste weten. Hij zegt: men kent op dit niveau slechts in de mate waarin men bemint, en men kent niet méér dan men bemint. De reden is dat het hier gaat om een kennen dat identiek is aan liefde. Juist deze eenheid vormt het wezen van elke ware persoonlijkheid en is de bron van haar uitstraling.

Liefde heeft het vermogen ons binnen te voeren in het innerlijk van de ander, door een proces van wederzijdse verinnerlijking. In echte communicatie ontstaat zo een doorzichtigheid van de één voor de ander. Werkelijk menselijke relaties groeien vanuit dit respect voor het innerlijk van de persoon. We herkennen dit in de relatie tussen moeder en kind, tussen echtgenoten die werkelijk één zijn, en tussen trouwe vrienden. Daar voltrekt zich een communicatie die het diepste van de persoon raakt, zich van het ene innerlijk aan het andere meedeelt, en beiden gevoelig maakt voor de Aanwezigheid waarin zij hun eenheid ontdekken. Zo’n communicatie is niet afhankelijk van taal als instrument of methode, zoals in wetenschap of filosofie.

Kennis van persoon tot persoon ligt daarom aan de basis van alle werkelijk menselijke relaties: tussen echtgenoten, tussen ouders en kinderen, tussen mensen die elkaar in trouw en eerbied nabij zijn. Zij rust op de absolute eis van respect voor de mens in al zijn relaties.

Toepassing

De kennis van persoon tot persoon, zo wordt gezegd, betreft de wederzijdse doordringing van innerlijkheid tussen wezens die in zichzelf onaantastbaar zijn. Mensen kunnen elkaar slechts werkelijk bereiken door een wederzijdse communicatie die berust op vrije instemming. Deze vorm van kennen is dus wezenlijk relationeel. De aard en diepte van die relatie verschillen naargelang de mate waarin mensen samen delen in de Aanwezigheid die hen overstijgt.

Kennis van persoon tot persoon is onlosmakelijk verbonden met welwillende liefde. Die liefde zoekt het goede van de ander, en juist daarin schenkt zij diepe vrede en vreugde. Tegelijk brengt zij ook innerlijke vervulling voor degene die liefheeft. Daarnaast heeft deze kennis betrekking op de liefde van vriendschap, omdat zij wezenlijk wederkerig is. De theologische deugd van de liefde wordt ons door de goddelijke genade geschonken, en zowel de liefde van welwillendheid als de liefde van vriendschap bepalen, zoals Thomas benadrukt, in hoge mate de innerlijke houding van de mens.

Romano Guardini staat hier in de lijn van Augustinus wanneer hij stelt: “Iets wordt gekend in de mate waarin het wordt bemind.” Kennis en liefde vormen dan één enkele act. Jacques Maritain daarentegen meent dat kennis aan de liefde voorafgaat. Daarmee sluit hij aan bij Thomas van Aquino, voor wie het kennen het primaat heeft boven de liefde.

Men kan zich echter afvragen of dit onderscheid niet vooral geldt binnen de tijdsorde. Chronologisch gezien kan kennis inderdaad voorafgaan aan liefde. Maar in het proces van metanoia – de omkeer tot God en de omvorming in God – lijkt het erop dat kennen en liefhebben samenvloeien tot één enkele, ondeelbare act. In dat perspectief krijgt de mens toegang tot de waarheid juist door de liefde.

Bij Augustinus is kennis geen louter intellectuele handeling, maar een gerichtheid van de hele mens, een zich uitstrekken naar de waarheid. Deze actieve inzet van zichzelf noemt hij voluntas, de wil, wat soms tot de term ‘voluntarisme’ leidt. Ten diepste gaat het echter om de liefde: daarin wordt de verwantschap zichtbaar tussen de mens en de uiteindelijke werkelijkheid. Hier raakt kennis haar voltooiing in de liefde.

Deel II — Godsontmoeting en bemiddeling in dialogische visies

In deze paragraaf onderzoeken we in hoeverre binnen dialogische benaderingen sprake kan zijn van werkelijke Godsontmoeting en bemiddeling. Daarbij richten we ons in het bijzonder op de visie van Maurice Zundel, en plaatsen we die binnen een bredere theologische en filosofische context.

Volgens Zundel spreekt God de mens aan door zijn Openbaring. Iedere mens wordt daardoor uitgenodigd tot bekering en innerlijke groei, tot een steeds fijnere gevoeligheid voor de relatie met God. Dit is wezenlijk dialogisch: het gaat om een leven in gesprek met God. Christelijke vrijheid betekent in dit perspectief meer dan uiterlijke keuzevrijheid; zij veronderstelt een innerlijke bevrijding waardoor de mens radicaal wordt omgevormd en binnengeleid in een onbegrensde innerlijke ruimte. Daar verliest het egocentrische ‘ik’ zijn heerschappij over het bestaan.

Die bevrijding van het ‘ik’ kan, aldus Zundel, alleen het werk zijn van een oneindige Liefde. Zij ontstaat niet uit zelfdiscipline of morele inspanning alleen, maar uit een ontmoeting: een ontmoeting in het diepste van onszelf met een Aanwezigheid die zelfgave mogelijk maakt en motiveert. De mens wordt, zo zou men kunnen zeggen, geboren in een stille dialoog met een genadevolle Bezoeker. Deze Bezoeker opent hem voor zichzelf en doet hem overgaan van een bestaan waarin hij het leven slechts ondergaat, naar een leven dat hij als gave ontvangt en waarin hij zichzelf vervult.

Hier sluit Zundel nauw aan bij Augustinus. Bij Augustinus vertrekt de ontmoeting met de eeuwige Schoonheid vanuit een ervaring: een ervaring die in zichzelf grenzeloos is en die zich uitdrukt in de taal van de liefde. Dat is ook het model dat Zundel voor ogen heeft. Wanneer het evangelie wordt verkondigd, is het noodzakelijk dat de mens zich geraakt weet in het meest intieme van zichzelf. Juist daar ontdekt hij de uiteindelijke zin van zijn vrijheid: als een innerlijke ruimte zonder grenzen. Daar ontmoet hij Iemand die al zijn vermogen tot bewondering en liefde niet alleen aanspreekt, maar ook kan dragen en omvatten.

Openbaring is in deze visie geen loutere overdracht van leerstellingen, maar een communicatie van geest tot geest. Deze communicatie draagt vrucht in geloof, hoop en liefde, en voltrekt zich in het licht van de Heilige Geest. Het charisma van het beleven én het doorgeven van de Blijde Boodschap maakt profeten, priesters en gelovigen tot instrumenten van genade, tot bemiddelaars van deze communicatie.

Belangrijk is dat Zundel benadrukt dat het instrument ook dan zijn waarde behoudt wanneer degene die het hanteert of ontvangt de volle draagwijdte van de boodschap nog niet begrijpt of beleeft. De genade werkt immers verder dan het bewustzijn van de mens. Zo blijft de Kerk, in haar verkondiging en sacramentele leven, een plaats van ontmoeting en bemiddeling, waarin God zelf in dialoog treedt met de mens en hem binnenleidt in de ruimte van ware vrijheid.

Het hoogtepunt van de Openbaring is het mysterie van de Heilige Drie-eenheid. Het geloof in dit mysterie vormt het wezenlijke kenmerk van het christendom. Het is, zoals wordt gezegd, het diepste en tegelijk het meest verhelderende antwoord op de vragen van ons verstand en op de verlangens van ons hart. In het licht van de Drie-eenheid krijgt het menselijk bestaan een diepte en samenhang die nergens anders zo radicaal worden onthuld.

Van nature groeien wij op met een ‘ik’ dat zich toe-eigent en afbakent. Al vanaf onze kinderjaren identificeren wij ons met dit gemaakte ‘ik’. Nog vóór we daarover kunnen nadenken, zeggen we er als het ware “ja” tegen en trekken we onaantastbaarheid, waardigheid en vrijheid naar onszelf toe. De zoektocht naar onze identiteit is daardoor onvermijdelijk: zij kan niet worden onderdrukt, maar moet op de een of andere manier worden doorleefd en gevonden.

Juist in die zoektocht opent de Openbaring van de Drie-eenheid een totaal onverwachte weg. Die weg wordt samengevat in de korte maar alleszeggende uitspraak uit de Eerste brief van Johannes: “God is Liefde.” God is Liefde in zijn verhouding tot ons, zijn schepselen, en tot heel de schepping. Maar Hij is allereerst Liefde in Zichzelf: in zijn eigen innerlijk, wezenlijk, grenzeloos en eeuwig. Dit noemen we de immanente Drie-eenheid.

Tegelijk is God ook Liefde-in-relatie, gericht op de ander, zoals Hij zich openbaart in de heilsgeschiedenis. Deze relationele gerichtheid behoort niet toevallig tot God, maar constitueert Hem juist als Liefde. Zeggen dat God Liefde is, betekent dat zijn innerlijk wezen wordt bepaald door een beweging naar de Ander. Zonder deze beweging zou er geen sprake zijn van liefde.

Daarmee wordt ook bevestigd dat God de Ander niet buiten Zich hoeft te zoeken, maar Hem in Zichzelf vindt en bezit door Zichzelf. In die eeuwige wederkerigheid, waarin geven en ontvangen samenvallen, komt de volheid van Liefde tot stand die God zelf is. Voor de gelovige mens opent dit mysterie niet alleen een dogmatisch inzicht, maar ook een spirituele weg: de uitnodiging om het eigen ‘ik’ los te laten en binnen te treden in de ruimte van relationele liefde, waarin God zelf ons voorgaat.

Binnen het zijn van God ontspringen drie wezenlijke relaties die elk de rang van Persoon hebben: Vader, Zoon en Heilige Geest. God is één, maar niet eenzaam of geïsoleerd. Juist omdat Hij niet alleen is, maar eeuwig in Zichzelf de Ander vindt aan wie Hij Zich kan geven, is Hij op geestelijk niveau werkelijk Eén. Zijn eenheid bestaat in totale zelfgave: dát is het wezen en de volmaaktheid van de goddelijke liefde.

Deze innerlijke zelfgave bepaalt ook Gods oneindige vrijheid. In God is het goddelijke ‘Ik’ geen gesloten zelfbezit, maar zuivere relatie tot de Ander. De gave van de Vader bestaat hierin dat Hij zijn oneindig volmaakte natuur volledig meedeelt aan de Zoon, zonder iets voor Zichzelf achter te houden behalve zijn vaderschap. De gave van de Zoon en de Heilige Geest bestaat erin dat Zij Zich geheel aan elkaar en aan de Vader schenken en zich in liefde met Hem verbinden. Zo is de Heilige Drie-eenheid een leven van volstrekte wederkerigheid en zelfgave.

De godheid van Jezus Christus is diep geworteld in deze Drievuldigheid, doordat Hij de Persoon is van het Woord. Dit Woord vormt het persoonlijke fundament van zijn mens-zijn. Het Woord deelt aan de menselijke natuur van Jezus niet zijn goddelijke natuur mee – want daarin is het formeel God – maar zijn persoonlijke zijnswijze: Hij bestaat als mens in de goddelijke Persoon van het Woord. Met andere woorden: het goddelijke ‘Ik’ treedt onze geschiedenis binnen in de gestalte van relatie en zelfontlediging, zonder zich iets toe te eigenen in het mens-zijn van Jezus.

De menselijkheid van Jezus, gedragen door de Persoon van het Woord, is daardoor geheel ‘vervuld’ van onthechting en zelfontlediging. Deze oneindige onteigening is het wezen van de relaties in God zelf en maakt Christus tot Getuige en Bemiddelaar. In Hem wordt zichtbaar wie God is en hoe God liefheeft.

De zin van de schepping vanaf het allereerste begin is dan ook communicatie met God. De voltooiing van de schepping is de geboorte van het mensgeworden Woord in de tijd. In het mysterie van Jezus, gezien tegen de achtergrond van de Drie-eenheid, openbaart zich een eeuwige mededeling van liefde. God is Liefde die zichzelf wegschenkt in en door Jezus. Liefde richt zich noodzakelijk op de Ander om liefde te kunnen zijn – dáár ligt de kern.

Deze liefde, die brandt in het hart van de Drie-eenheid, neemt het mens-zijn van Jezus geheel in zich op en onteigent het totaal van zichzelf door het deelgenoot te maken van haar eigen beweging: de eeuwige betrekking van Zoonschap als kern van zijn Persoon-zijn. “Deze volkomen onbaatzuchtige gave van God aan Christus is tegelijk gericht op de mensheid en op de hele schepping.” (“Maurice Zundel – Kennis van persoon tot persoon”)

Daarbij geldt: iedere genade draagt ook een zending in zich. Hoe overvloediger de genade, des te ruimer de zending. Wanneer de genade oneindig is, kent ook de zending geen grenzen. Juist omdat de menselijke natuur van Christus volledig in beslag is genomen door het Woord waarin zij haar wezen vindt, is Hij totale openheid naar de schepping die zijn werk is. Zijn zending bestaat erin mensen tot kinderen van God te maken, zoals verwoord in het Evangelie volgens Johannes (vgl. Joh. 1,12).

Christus is gave, en Hij wil ook óns tot gave maken. Daarom geldt voor ons: we moeten eerst zelf kinderen van God zijn of worden, om dit leven in anderen te kunnen wekken. Hier ligt een kernopgave voor ieder die zich voorbereidt op het priesterschap: leven vanuit ontvangen genade, om van daaruit gezonden te worden tot dienst aan de wereld.

Omdat God in Zichzelf Drie-eenheid is, is Hij volledig onafhankelijk van mens en wereld. In zijn eigen innerlijk laat Hij de Ander reeds bestaan in volkomen vrijheid. Zoals God ad intra (in Zichzelf) is, zo is Hij ook ad extra (naar buiten toe). Daarom kan er in de verhouding tussen God en mens nooit sprake zijn van verdrukking of onderdrukking van de menselijke vrijheid. Juist omdat God in Zichzelf oneindige Liefde is, laat Hij de mens bestaan in vrijheid. Strikt genomen heeft God de liefde van de mens niet nodig.

Dat God de mens toch heeft geschapen, is een zuiver geheim van liefde: Hij wil de mens laten delen in het inner-trinitaire leven van God Zelf. Gods Geest richt Zich tot onze geest, die vaak slechts langzaam tot geestelijk leven ontwaakt. In de mate waarin wij ons egocentrisme loslaten en ervan bevrijd worden, openbaart zich het persoonlijke karakter van de genadevolle Aanwezigheid. Deze Aanwezigheid wordt geleidelijk het centrum van onze intimiteit en steeds meer de drijvende kracht naar onze bestemming: onze bevrijding. Zo voltrekt zich een dialoog waarin het bezitterige ‘ik’ wordt omgevormd tot een schenkend ‘ik’.

Wij worden open voor de Vriend die in ons binnenste woont; open door en voor de nabijheid van zijn genezende Aanwezigheid op de bodem van ons hart. Maurice Zundel betreurt het dat veel gelovigen de grootheid van de Openbaring van het mysterie van de Drie-eenheid niet werkelijk doorzien en doorleven. Juist dit inzicht zou hen helpen om Geest-georiënteerd in het leven te staan en menselijke problemen van binnenuit te doorlichten, om zo tot hun ware oplossing te komen.

“Kennen,” zo wordt gezegd, “is een bepaalde wijze om met de werkelijkheid te vergroeien.” Met andere woorden: men wordt op zekere wijze wat men kent, door een vorm van identificatie. De kennende neemt immaterieel de gestalte aan van het gekende, draagt het in zich, beleeft het van binnenuit en integreert het in het eigen leven. De kennis van persoon tot persoon betreft daarom de wederzijdse doordringing van innerlijkheid tussen wezens die in zichzelf onaantastbaar zijn en die elkaar slechts kunnen bereiken door een communicatie die berust op vrije instemming. Deze kennis is wezenlijk relationeel en verschilt naar de aard van de relatie.

Bij de kennis van God – de hoogste vorm van kennis van persoon tot persoon – staat voorop dat Hij ons intiemer nabij is dan wij onszelf zijn, en dat Hij tegelijk de enige weg is naar onszelf. In Hem leren wij onszelf kennen, zoals wij de intimiteit van een ander slechts bereiken door een gemeenschappelijk ‘ademen’ in zijn Aanwezigheid, door de genade.

Hieruit volgt een belangrijke consequentie voor de (priesterlijke) bediening en bemiddeling: zij is het meest vruchtbaar wanneer zij erop gericht is in de ander het contact te wekken met de Bron die opborrelt tot eeuwig leven. Dat kan alleen wanneer de bemiddelaar zelf in een levende eenheid met diezelfde Bron blijft. Dan wordt communicatie met medemensen een werkelijke uitwisseling van liefde, waarin God Zelf aanwezig en werkzaam is.

Jezus Christus nodigt ons uit om van onszelf een naaste te maken voor alle anderen. Dat doet Hij op indringende wijze in de parabel van de barmhartige Samaritaan. Deze oproep plaatst ons onontkoombaar in relatie tot anderen. Het heil van de ander kan dan niet langer los worden gezien van ons eigen heil. De aanwezigheid van God in de ander is even kostbaar als zijn aanwezigheid in onszelf. Zo wordt het absolute engagement met de waarheid uiteindelijk een engagement van persoon tot persoon: in relatie tot God en, vanuit Hem, in relatie tot de naaste.

De christen ervaart God niet als een abstract beginsel, maar als een Persoon. Het persoonsbegrip waar het hier om gaat, wortelt in de christelijke mystiek en legt het accent op relatie en gemeenschap. ‘Persoon’ betekent dan: liefdevolle gerichtheid op de ander, wezenlijk in-relatie-zijn. De liefde die men beleeft — zowel de liefde die men schenkt als die men ontvangt — vormt de persoon. De relatie is als een brug: zij maakt de persoon.

De mens is geroepen om te groeien van individu — letterlijk: degene die verdeelt — naar persoon: iemand die in relatie treedt, die zich verbindt in liefde. Dat vraagt een belangeloze liefde voor de naaste en de bereidheid zichzelf te laten veranderen. Het veronderstelt een afsterven aan het eigen ik ten bate van de ander, een weg van groei in heiligheid.

De personalistische en dialogische visie van Maurice Zundel was geen loutere theorie, maar één met zijn persoon en zijn geestelijk leven. Juist daarom kon hij een meester zijn in persoonlijke relaties. Zijn boodschap bestond hierin: zich losmaken van zichzelf en doorzichtig worden voor de goddelijke Werkelijkheid — een Werkelijkheid die niet los te maken is van degene die haar bemiddelt. Hij kon deze boodschap dragen omdat hij haar, op uitzonderlijke wijze, zelf was geworden.

Voor wie zich voorbereidt op het priesterschap ligt hier een duidelijke weg: alleen wie zelf leeft vanuit relationele liefde, kan anderen binnenleiden in de ontmoeting met God en met elkaar.

Deel III — Twee persoonsbegrippen en het persoonsbegrip bij Zundel

Inleiding

In de westerse filosofische en theologische traditie bestaan verschillende manieren om over de mens als persoon te spreken. Het klassieke, metafysische persoonsbegrip heeft onmiskenbaar bijgedragen aan het beschermen van menselijke waardigheid, verantwoordelijkheid en vrijheid. Tegelijk groeit het besef dat dit begrip, wanneer het los raakt van zijn spirituele en relationele horizon, kan uitmonden in een geïsoleerd en individualistisch mensbeeld. In zo’n benadering dreigt de persoon vooral als autonoom ‘ik’ te worden verstaan, eerder dan als wezen dat tot relatie en zelfgave is geroepen.

Daartegenover staat een tweede, minder systematisch maar theologisch diep geworteld persoonsbegrip, dat zijn oorsprong vindt in de christelijke mystiek en de personalistische traditie. Hier verschuift het accent van zelfstandigheid naar relationaliteit: persoon-zijn wordt niet gedacht als afgesloten bestaan, maar als tot stand komend in ontmoeting, gemeenschap en liefde.

De centrale vraag die zich dan aandient, is deze: hoe verhouden deze twee persoonsbegrippen zich tot elkaar, en in hoeverre zijn zij samen in staat recht te doen aan het christelijk verstaan van mens, God en genade? Meer concreet: kan het klassieke persoonsbegrip worden verdiept zonder zijn beschermende kracht te verliezen, en kan het relationele persoonsbegrip worden gefundeerd zonder te vervallen in vaagheid of sentimentaliteit?

Het denken van Maurice Zundel situeert zich precies in dit spanningsveld. Hij aanvaardt het klassieke begrip als noodzakelijk fundament, maar acht het ontoereikend om de dynamiek van geloof, bekering en Godsontmoeting werkelijk te begrijpen. Vanuit zijn mystiek-personalistische visie herinterpreteert hij persoon-zijn als een geestelijke weg: een proces van ont-eigening, relationele openheid en groei in liefde. De volgende tekst onderzoekt dit spanningsveld en belicht het persoonsbegrip in het licht van Zundels visie, met bijzondere aandacht voor de theologische en pastorale implicaties.

Twee persoonsbegrippen in de westerse filosofische en theologische traditie

Filosofisch gezien kunnen in de westerse traditie twee fundamenteel verschillende persoonsbegrippen worden onderscheiden, die elk een eigen geschiedenis, accent en betekenis hebben voor de theologie en de spiritualiteit.

1. Het klassieke metafysische persoonsbegrip

(Aristoteles – Thomas van Aquino)

Het eerste persoonsbegrip vindt zijn oorsprong bij Aristoteles en wordt systematisch uitgewerkt binnen de christelijke scholastiek, met name door Thomas van Aquino. In deze traditie wordt de persoon gedefinieerd als:

“een individuele substantie, begiftigd met een redelijke natuur”
(individua substantia rationalis naturae).

Dit persoonsbegrip legt het accent op:

  • individualiteit: de persoon is een op zichzelf staand zijnde;
  • zelfstandigheid: de persoon bestaat in zichzelf en niet als deel van een ander;
  • redelijkheid: het vermogen tot kennen en willen vormt het onderscheidende kenmerk.

Deze definitie is bijzonder vruchtbaar gebleken voor:

  • de metafysica,
  • de morele verantwoordelijkheid,
  • het rechtsdenken,
  • en de dogmatiek (bijvoorbeeld in de christologie en triniteitsleer).

Zij beschermt de waardigheid en onaantastbaarheid van de persoon: de mens is geen middel, geen functie, geen onderdeel van een groter geheel, maar een zelfstandig moreel subject. Tegelijk schuilt hier ook een gevaar: wanneer dit persoonsbegrip geïsoleerd wordt, kan het leiden tot een sterk individualistisch mensbeeld, waarin autonomie, zelfbeschikking en zelfbehoud centraal komen te staan, los van relationele verbondenheid.

2. Het relationele persoonsbegrip

(christelijke mystiek en personalistische traditie)

Het tweede persoonsbegrip ontwikkelt zich binnen de christelijke mystiek en wordt later explicieter verwoord in personalistische en dialogische stromingen. Hier verschuift het zwaartepunt van zelfstandigheid naar relationaliteit. Persoon-zijn wordt niet primair gedacht als “op zichzelf staan”, maar als in relatie staan.

In deze visie is de persoon:

  • wezenlijk gericht op de ander;
  • constitutief bepaald door relatie, gemeenschap en wederkerigheid;
  • niet voltooid in zichzelf, maar in liefdevolle betrokkenheid.

Zoals Herman Arts het samenvat in Met heel uw ziel:

de persoon ontstaat en groeit in de ontmoeting,
in de relatie waarin liefde wordt geschonken en ontvangen.

Hier geldt: relatie maakt persoon. Niet het afgesloten ‘ik’, maar het open ‘wij’ vormt de kern van het mens-zijn. De persoon wordt persoon door zichzelf te geven, door zich te laten raken en door binnen te treden in gemeenschap.

Theologische betekenis

Dit relationele persoonsbegrip is diep verankerd in het christelijk geloof:

  • God zelf is Drie-eenheid: geen solitaire monade, maar eeuwige relatie;
  • de mens is geschapen naar dit beeld en vindt zijn vervulling niet in autonomie, maar in liefde;
  • Jezus openbaart persoon-zijn als zelfgave, dienstbaarheid en relationele openheid.

In deze zin is de persoon niet eerst individu en dan relatie, maar persoon dóór relatie. Liefde is geen bijkomende eigenschap, maar constitutief voor wie de mens is.

Samenvattend

Klassiek metafysisch persoonsbegripRelationeel mystiek persoonsbegrip
IndividualiteitRelationaliteit
Zelfstandige substantieCommunio
Redelijke natuurLiefdevolle gerichtheid
AutonomieZelfgave
Bescherming van waardigheidVerwerkelijking van persoon-zijn

Beide benaderingen zijn niet elkaars tegenpolen, maar vullen elkaar aan. Waar het klassieke begrip de grondslag legt voor waardigheid en verantwoordelijkheid, opent het mystieke persoonsbegrip de weg naar voltooiing in liefde. Juist in de theologie en in het priesterschap is het van belang beide perspectieven samen te houden: de mens als onaantastbare persoon én als geroepen tot relationele zelfgave.

3. Het persoonsbegrip in het licht van de visie van Zundel

Wanneer we de twee westerse persoonsbegrippen betrekken op het denken van Maurice Zundel, wordt duidelijk dat hij zich bewust positioneert binnen een spanningsveld: hij verwerpt het klassieke metafysische persoonsbegrip niet, maar acht het onvoldoende om het mysterie van God, mens en genade werkelijk recht te doen.

Het klassieke persoonsbegrip: noodzakelijk maar ontoereikend

Het eerste persoonsbegrip, dat via Aristoteles bij Thomas van Aquino terechtkomt, definieert de persoon als “een individuele substantie, begiftigd met een redelijke natuur”. Dit begrip beschermt terecht de zelfstandigheid, waardigheid en morele verantwoordelijkheid van de mens. Ook Zundel erkent deze waarde: zonder dit fundament zou de mens gemakkelijk opgaan in het collectief of gereduceerd worden tot functie of rol.

Maar juist hier ziet Zundel een gevaar. Wanneer dit persoonsbegrip wordt losgemaakt van zijn theologische horizon, dreigt het ‘ik’ zich te verharden tot een bezitterig, gesloten zelf, dat zichzelf centraal stelt en zichzelf wil veiligstellen. Dit ‘gemaakte ik’ – waar Zundel herhaaldelijk over spreekt – is volgens hem niet de ware persoon, maar een construct dat voortkomt uit angst, zelfbehoud en behoefte aan controle.

Het klassieke persoonsbegrip benoemt wat de mens is, maar zegt te weinig over waartoe hij geroepen is.

Het relationele persoonsbegrip: kern van Zundels visie

Zundel sluit daarom nadrukkelijk aan bij het tweede persoonsbegrip, dat wortelt in de christelijke mystiek. Hier ligt de nadruk niet op individualiteit, maar op relatie, ontvankelijkheid en zelfgave. Persoon-zijn is niet primair “op zichzelf bestaan”, maar zich laten bestaan door de ander.

Voor Zundel is de persoon wezenlijk:

  • niet bezit, maar gave;
  • niet gesloten, maar open;
  • niet autonoom in zichzelf, maar relationeel tot God en tot de ander.

Dit persoonsbegrip is rechtstreeks afgeleid van de Openbaring van de Heilige Drie-eenheid. God is geen geïsoleerd ‘Ik’, maar zuivere relatie: Vader, Zoon en Geest bestaan volledig in wederkerige zelfgave. Omdat de mens geschapen is naar dit beeld, kan hij slechts persoon worden door deel te nemen aan deze dynamiek van liefde.

Daarom zegt Zundel: de persoon ontstaat pas werkelijk waar het ik ophoudt zichzelf toe te eigenen. De ware persoon wordt geboren waar het bezitterige ik sterft en plaatsmaakt voor een schenkend ik.

Persoon-zijn als spirituele weg

In Zundels visie is persoon-zijn geen statisch gegeven, maar een geestelijk proces. De mens wordt niet automatisch persoon door geboorte, maar door bekering, door innerlijke onthechting en door ontmoeting met de Aanwezigheid van God in zijn diepste innerlijk.

Hier krijgt ook het kennen een nieuwe betekenis: kennen is niet beheersen of objectiveren, maar vergroeien met, binnentreden in de innerlijkheid van de ander. Dat geldt bij uitstek voor de kennis van God. God is, aldus Zundel, “inniger aan ons dan wij onszelf zijn”, en tegelijk de enige weg naar ons ware zelf.

Implicaties voor priesterschap en bemiddeling

Voor Zundel heeft dit relationele persoonsbegrip directe gevolgen voor de priesterlijke identiteit. De priester is geen functionaris van het heilige, maar een doorzichtige persoon, iemand die zichzelf heeft leren loslaten om ruimte te maken voor Gods Aanwezigheid. Bemiddeling is slechts vruchtbaar wanneer zij niet vertrekt vanuit macht, bezit of rol, maar vanuit innerlijke eenheid met God.

De priester kan alleen anderen tot persoon helpen worden, wanneer hij zelf deze weg van ont-eigening en relationele liefde gaat. In die zin is Zundels personalisme niet alleen een filosofische visie, maar een existentiële en spirituele opdracht.

Conclusie

Zundel integreert het klassieke persoonsbegrip in een dieper, mystiek verstaan van de persoon. Waar het aristotelisch-thomistische denken de structuur van de persoon beschermt, openbaart Zundel zijn roeping: persoon worden door liefde, door relatie, door zelfgave. Zo wordt de mens pas werkelijk zichzelf in de ontmoeting met God en met de ander.

Deel IV — Maurice Zundel en de weg van het priesterschap vandaag

Probleemstelling

De Kerk van vandaag staat voor grote uitdagingen door secularisatie, herstructurering en synodale processen. Daarbij dreigt het gevaar dat het spreken over de Kerk – haar plannen, structuren en toekomst – het leven uit God zelf naar de achtergrond dringt. Niet door bewuste afwijzing, maar doordat God steeds vaker wordt besproken en georganiseerd, zonder nog werkelijk ontvangen en beleefd te worden.

Deze verschuiving raakt het hele kerkelijke leven. Wanneer geloof vooral wordt opgevat als visie, moraal of engagement, verarmt de innerlijke dimensie en maken activiteit en overleg gemakkelijk de plaats in van gebed en aanbidding. De kernvraag is daarom: hoe kan de Kerk opnieuw leven vanuit een innerlijke ontmoeting met de levende God, zodat zij niet bij zichzelf blijft steken maar werkelijk naar Hem verwijst?

Vanuit deze vraag verkent deze overweging hoe het denken van Maurice Zundel helpt om secularisatie geestelijk te verstaan en Kerk-zijn opnieuw te gronden in ontvangen genade, innerlijke omvorming en openheid voor Gods Aanwezigheid.

Inleidende situering

Deze overweging plaatst zich binnen de zoektocht van de Kerk naar haar geestelijke bron in een tijd van verandering. In een context van dialoog, participatie en toekomstplanning groeit het besef dat deze processen alleen vruchtbaar zijn wanneer zij geworteld blijven in stilte, gebed en aanbidding. Zonder die grondslag dreigt het kerkelijk gesprek intens en goedbedoeld te zijn, maar los te raken van zijn oorsprong.

Het denken van Maurice Zundel biedt hierbij een scherp perspectief. Voor hem is secularisatie geen verlies aan invloed, maar het verdwijnen van God uit het innerlijk leven, doordat Hij wordt gereduceerd tot idee, moraal of systeem. Waar God niet meer wordt ontmoet, verliest het geloof zijn levenskracht.

Vanuit deze visie nodigt Zundel de hele Kerk uit tot ontvankelijkheid. Vernieuwing begint niet met meer activiteit, maar met innerlijke omvorming; niet met spreken over God, maar met ruimte maken waarin Hij kan wonen. Deze tekst wil daarom geen systeem bieden, maar een weg wijzen: Kerk-zijn vanuit diepte, stilte en vertrouwen, in het besef dat de toekomst van de Kerk niet afhangt van wat wij organiseren, maar van de mate waarin wij God laten wonen in ons midden.

Maurice Zundel: de Kerk en het priesterschap vandaag

Deze overdenking is ontstaan vanuit de groeiende overtuiging dat de crisis van het priesterschap in onze tijd niet in de eerste plaats een organisatorisch, sociologisch of communicatief probleem is, maar een diep geestelijke uitdaging. In een context van voortschrijdende secularisatie, kerkelijke herstructurering en intensieve synodale processen dreigt het gevaar dat het spreken over de Kerk de plaats inneemt van het leven uit God. Woorden, plannen en overleg kunnen dan de plaats innemen van stilte, gebed en innerlijke ontvankelijkheid.

Juist in deze situatie blijkt het denken van Maurice Zundel verrassend actueel. Zundel biedt geen programma, geen strategie en geen methode om de Kerk institutioneel overeind te houden. Hij reikt een geestelijk criterium aan om te onderscheiden wat werkelijk wezenlijk is. Hij wijst een weg van innerlijke omvorming, waarin God opnieuw het centrum wordt en de mens – en in het bijzonder de priester – leert leven vanuit ontvangen liefde in plaats van zelfbehoud. Dit schrijven wil daarom geen theoretische studie over Zundel zijn, maar zijn visie dienstbaar maken aan de concrete vorming en praktijk van het priesterschap vandaag, op het snijvlak van theologie, spiritualiteit en pastoraal leven. Het wil helpen om het persoonsbegrip opnieuw relationeel te verstaan, sacramenten te beleven als ontmoetingen, het priesterschap te herontdekken als doorzichtigheid en het parochiële leven te gronden in aanbidding en onderscheiding. De rode draad is eenvoudig maar veeleisend: de priester is niet geroepen om God te vertegenwoordigen, maar om ruimte te worden waarin God kan wonen.

Zundels denken spreekt krachtig tot de huidige uitdagingen van Kerk en priesterschap, juist omdat hij secularisatie niet oppervlakkig duidt. Voor hem is secularisatie niet in de eerste plaats verlies aan maatschappelijke invloed, afname van kerkbezoek of culturele marginalisering, maar een dieper en radicaler probleem: God is verdwenen uit het innerlijk van de mens. Niet omdat Hij expliciet is afgewezen, maar omdat Hij is gereduceerd tot een idee, een moraal of een systeem. Waar God wordt uitgelegd in plaats van ontmoet, beheerd in plaats van ontvangen en gebruikt ter ondersteuning van menselijke waarden, daar verdwijnt Hij uit het leven zelf. In Zundels scherpe formulering: men heeft over God gesproken zonder Hem bij ons te laten wonen.

Hieruit volgt een fundamentele priesterlijke implicatie. De eerste opdracht van de priester is niet de Kerk zichtbaar of relevant te maken, maar God opnieuw innerlijk hoorbaar en ervaarbaar te laten worden. In een geseculariseerde wereld is de priester daarom niet allereerst verkondiger van antwoorden, maar getuige van Aanwezigheid. Zundel waarschuwt met grote actualiteit voor een Kerk die wel intensief over mensen spreekt, maar steeds minder over God. Het gevaar bestaat dat het geloof sociaal relevant wil zijn, moreel acceptabel en dialogisch, terwijl het zijn mystieke kern verliest. Veel hedendaagse kerkelijke taal richt zich op processen, structuren, inclusie en participatie, terwijl aanbidding, bekering, innerlijke omvorming en leven uit genade naar de achtergrond verdwijnen. Een Kerk die niet langer vanuit God vertrekt, zo stelt Zundel, eindigt onvermijdelijk bij de mens – en doet uiteindelijk ook de mens tekort.

Vanuit deze visie stelt Zundel een kritische, maar vruchtbare vraag bij de synodale weg. Hij is niet tegen synodaliteit; zijn denken is in wezen dialogisch. Maar hij vraagt radicaal: wie spreekt er werkelijk in dit gesprek? Dialoog is alleen vruchtbaar wanneer zij begint in stilte, geworteld is in aanbidding en gevoed wordt door bekering. Ontbreekt deze grondslag, dan dreigt synodaliteit te verworden tot horizontaal overleg, psychologische veiligheid en consensusvorming, waarbij men met elkaar spreekt over de Kerk, maar niet meer met God. Zundels criterium is helder: een proces is alleen werkelijk synodaal wanneer het mensen losmaakt van hun ‘gemaakte ik’, hen opent voor een waarheid die zij niet zelf voortbrengen en leidt tot een grotere ontvankelijkheid voor God. Waar dit ontbreekt, wordt zelfs het meest participatieve proces een verfijnde vorm van secularisme binnen de Kerk.

In deze context ziet Zundel ook een concreet priesterlijk gevaar. Priesters kunnen onmisbaar worden voor structuren en processen, maar tegelijk overbodig voor God. Zij functioneren dan als procesbegeleider, gespreksleider of pastorale professional, zonder nog een innerlijke ruimte te zijn waarin God kan spreken. De grootste crisis van het priesterschap, zou Zundel zeggen, is niet dat men te weinig doet, maar dat men te weinig ontvangt.

Deze inzichten krijgen een bijzondere scherpte in het parochiële leven. Voor de parochiepriester van vandaag is de context vaak zwaar: teruglopende betrokkenheid, volle agenda’s, toenemende verwachtingen en kerkelijke processen die veel overleg vragen. Ook hier nodigt Zundel niet uit tot méér activiteit of efficiëntie, maar tot dieper geestelijk leiderschap. In de parochie manifesteert secularisatie zich zelden als open ongeloof. Vaker gebeurt zij geruisloos en subtiel: God wordt verondersteld, maar niet gezocht; de liturgie wordt verzorgd, maar niet gedragen door aanbidding; het pastoraat is empathisch, maar mist soms mystieke diepte. Een parochie kan druk en goed georganiseerd zijn en toch innerlijk leeg blijven.

Daarom ligt de eerste parochiële opdracht van de priester niet in het redden van structuren, maar in het openen van een ruimte waarin God opnieuw kan wonen. Die ruimte ontstaat niet in de eerste plaats in vergaderingen of beleidsplannen, maar in stilte, gebed en eucharistische aanwezigheid. Waar de priester zelf leeft uit deze bron, krijgt ook het parochiële leven weer diepte. In een tijd waarin bijna alles bespreekbaar is, verlangen mensen bovendien niet zozeer naar pasklare antwoorden, maar naar iemand die innerlijk gegrond is. De priester wordt dan geen manager, maar een geestelijk referentiepunt, zichtbaar trouw aan gebed en Eucharistie, met rust in plaats van gejaagdheid en innerlijke vrijheid tegenover succes en falen.

Ook parochiële synodale processen vragen om deze geestelijke onderscheiding. Zij zijn waardevol, maar dragen het risico dat men goed spreekt over de parochie, terwijl men nauwelijks bidt, voor, en met haar. Zundels vraag blijft beslissend: leidt dit proces tot meer ontvankelijkheid voor God? Synodaliteit zonder aanbidding blijft horizontaal; synodaliteit die geworteld is in aanbidding wordt werkelijk kerkelijk. In het pastoraat bevrijdt Zundel de priester van de druk om altijd oplossingen te moeten bieden. De priester hoeft niet de oplossing te zijn, maar de plaats waar God kan spreken. Minder uitleg en meer luisteren, minder sturen en meer ruimte laten, en eerbied voor ieders tempo en vrijheid openen, ruimte voor genezing, die niet ontstaat door overtuigen, maar door zich gezien weten in Gods nabijheid.

Het hart van dit alles is de liturgie. Voor Zundel is liturgie geen religieuze dienstverlening, maar Epifanie van Aanwezigheid. De manier waarop een priester de Eucharistie viert – zijn stilte, zijn woorden, zijn houding – vormt de parochie dieper dan welk beleidsplan ook. Een parochie wordt geestelijk waar wanneer de Eucharistie niet wordt gehaast, wanneer stilte wordt toegelaten en wanneer Christus niet wordt ‘uitgedeeld’, maar ontvangen. Daarbij herinnert Zundel eraan dat geestelijke vruchtbaarheid vaak verborgen blijft. De priester is niet verantwoordelijk voor het succes van God, maar voor zijn eigen beschikbaarheid.

Zo blijkt Zundel geen luxe-denker, maar een noodzakelijke gids voor het priesterschap vandaag. Hij nodigt uit tot een priesterschap dat niet harder werkt, maar dieper leeft; dat zichzelf niet verdedigt, maar God laat spreken; en dat secularisatie niet bestrijdt met activisme, maar van binnenuit doorbreekt.

Aan het einde van deze overweging staan we dan ook niet bij conclusies, maar bij een uitnodiging. Zundels visie laat zich niet samenvatten in een systeem; zij vraagt om navolging, om innerlijke instemming en om een levenshouding. In een Kerk die kleiner en kwetsbaarder wordt en in processen die het risico lopen los te raken van hun bron, wordt de priester geroepen om niet harder te werken, maar dieper te leven. Secularisatie wordt niet overwonnen door meer activiteit, synodaliteit wordt vruchtbaar waar zij geworteld is in aanbidding, pastoraat genezend waar het eerbied heeft voor vrijheid, en sacramenten leven waar zij niet worden beheerd, maar ontvangen.

Ik eindig daarom niet met een opdracht, maar met vertrouwen: dat God zelf werkt, vaak verborgen en altijd trouw, en dat Hij priesters zoekt die bereid zijn niet zichzelf te bewijzen, maar Hem te laten verschijnen. Of, in de geest van Zundel: de toekomst van de Kerk hangt niet af van wat wij organiseren, maar van de mate waarin wij ons (innerlijk leven) laten bewonen.

Slotwoord

Dit schrijven wil geen sluitstuk zijn, geen afgerond systeem en geen antwoord op alle vragen waarmee Kerk en priesterschap vandaag geconfronteerd worden. Het is eerder bedoeld als een uitnodiging: tot vertraging, tot verinnerlijking en tot herbronning. Want waar het spreken over God zich loszingt van de ontmoeting met God, verliest het onvermijdelijk zijn kracht, zijn waarachtigheid en zijn vruchtbaarheid.

In het denken van Maurice Zundel wordt duidelijk dat de diepste crisis van geloof en Kerk niet in de eerste plaats institutioneel of cultureel is, maar innerlijk. Secularisatie voltrekt zich daar waar God niet langer wordt ontvangen als levende Aanwezigheid, maar wordt herleid tot idee, moraal of functie. Tegenover deze verschraling plaatst Zundel geen nieuwe methode, maar een weg: de weg van de persoon die leert binnengaan in zichzelf, om daar ontvankelijk te worden voor de Ander die zich schenkt zonder zich op te dringen.

Vanuit dit perspectief krijgt ook het priesterschap zijn wezenlijke contouren terug. De priester is geen producent van religie, geen beheerder van processen, maar een getuige van ontvangen genade. Zijn gezag wortelt niet in functie of rol, maar in doorleefd contact met de Bron. Alleen wie zelf leeft uit deze innerlijke ontmoeting kan anderen begeleiden zonder hen te bezitten, genezen zonder te overheersen, en bemiddelen zonder zichzelf in de plaats van God te stellen.

Daarmee raakt dit werk ook aan een bredere pastorale ervaring: dat echte genezing en groei niet ontstaan door technieken of interventies, maar door relationele aanwezigheid. Waar een mens werkelijk wordt gezien, gehoord en erkend in vrijheid, kan iets van Gods genezende nabijheid werkzaam worden. Relatie wordt dan geen middel naast andere middelen, maar het instrument zelf waarin genade ruimte krijgt om te werken.

Dit boek eindigt daarom bewust zonder conclusies. Het wil geen eindpunt markeren, maar een richting wijzen: van een bezitterig ‘ik’ naar een schenkend ‘ik’; van beheersen naar ontvangen; van spreken over God naar leven met God. In die beweging ligt geen verlies, maar vrijheid. Geen leegte, maar bewoning.

Moge dit slotwoord gelezen worden als een stille uitnodiging om die weg zelf te gaan — persoonlijk, priesterlijk en kerkelijk — in vertrouwen dat God zich niet laat organiseren, maar zich wél laat ontvangen.

Bronvermelding

  • Die God, deze mens, Maurice Zundel, Hilversum, 1978.
  • Relatie als instrument van genezing, Pastoor Geudens, Kerkrade, januari 2000.
    Ongepubliceerde literatuurstudie over het concept van de bevestigende en weerhoudende liefde van dr. Anna Terruwe. In deze studie wordt de bevestigingsleer van zenuwarts dr. Terruwe benaderd vanuit het theologisch-personalistische denken van Maurice Zundel. Centraal staat de overtuiging dat weerhoudende, respectvolle liefde een genezende werking kan hebben voor mensen in innerlijke nood. Deze genezing voltrekt zich binnen een affectieve – soms plaatsvervangende – relationele band, waarin positieve bevestiging concreet en ervaarbaar wordt. Relatie wordt zo niet slechts context, maar daadwerkelijk instrument van genezing.

Maurice Zundel

Maurice Zundel (1897–1975) was een Zwitserse priester en theoloog die bekendstaat om zijn diep persoonlijke en relationele benadering van het christelijk geloof. Hij verbond theologie consequent met innerlijke ervaring en zag geloof niet als systeem of leer, maar als ontmoeting met een levende God. In zijn denken komen elementen samen uit katholicisme, personalisme en existentialisme, steeds gedragen door één kernintuïtie: God is liefdevolle Aanwezigheid.

Zundel was een veelgevraagd predikant en retraiteleider en publiceerde talrijke boeken en artikelen. Centraal in zijn theologie staat het beeld van God als solidaire God: geen almachtige heerser op afstand, maar een God die het menselijk lijden van binnenuit deelt. Tegenover godsbeelden die God voorstellen als veroorzaker of toeschouwer van het lijden, plaatst hij de God van nabijheid, die niet dwingt maar wacht, niet overheerst maar zich schenkt.

Voor Zundel is aanwezigheid het ware antwoord op het lijden. Gods liefde is kwetsbaar, omdat zij afhankelijk is van het vrije antwoord van de mens. Zo wordt geloof een weg van ontmoeting, vrijheid en verantwoordelijkheid, en geen magisch zoeken naar oplossingen. Zijn theologie blijft daarom tot vandaag inspireren als een uitnodiging om God te laten wonen in het innerlijk van de mens.

Smakt, 4 januari 2026, Pastoor Geudens