H. Familie

De Heilige Familie: Maria, Jozef en Jezus

Wanneer de Kerk ons de Heilige Familie voorhoudt, gebeurt dat niet om een onbereikbaar ideaal te tonen, maar om te laten zien hoe God zijn heilsplan verwezenlijkt binnen het gewone, menselijke leven. Het gezin van Maria, Jozef en Jezus is geen afgesloten, harmonisch geheel buiten de werkelijkheid, maar een plaats waar geloof, gehoorzaamheid en vertrouwen vorm krijgen te midden van onzekerheid en kwetsbaarheid.

Het begin ligt bij de boodschap van de engel aan Maria. Zij wordt persoonlijk aangesproken en betrokken in het heilsplan van God. Haar vraag — “Hoe zal dit geschieden?” — is geen teken van ongeloof, maar van ernstig zoeken naar Gods wil. Maria wil niet haar eigen toekomst veiligstellen, maar verstaan wat God van haar vraagt. In haar antwoord — “Mij geschiede naar uw woord” — openbaart zich een vrije en gelovige overgave. Zij vertrouwt zich toe aan een weg die zij niet kan overzien, en wordt zo de levende tempel waarin God zelf woont.

Ook Jozef neemt in dit geheim een onmisbare plaats in. Hij wordt niet slechts een toeschouwer, maar door Gods roeping tot wettelijke vader van Jezus gesteld. Door zijn gehoorzaamheid aanvaardt hij Maria en het Kind, en geeft hij Jezus zijn naam, zijn afkomst en zijn plaats binnen het volk van Israël. Zo wordt Jezus ingeschreven in het huis van David en werkelijk opgenomen in de menselijke geschiedenis. Jozefs vaderschap is geen biologisch, maar een waar en verantwoordelijk vaderschap: hij beschermt, voedt en leidt het Kind, en staat borg voor zijn plaats in de wet en de samenleving. In stilte en trouw vervult Jozef zijn taak; juist daarin openbaart zich zijn grootheid.

De menswording van de Zoon van God voltrekt zich niet in macht en glorie, maar in armoede en verborgenheid. Er is geen plaats in de herberg; het teken van Gods nabijheid is een Kind in een kribbe. Ook daarna blijft het leven van de Heilige Familie lange tijd verborgen. In Nazareth groeit Jezus op in gehoorzaamheid aan Maria en Jozef, deelt Hij het dagelijkse werk en het gewone gezinsleven. Door dit verborgen bestaan heiligt Hij het alledaagse leven en maakt Hij duidelijk dat Gods aanwezigheid juist daar werkzaam is.

In de tempel klinkt Simeons profetie dat dit Kind een teken van tegenspraak zal zijn. Daarmee wordt vanaf het begin zichtbaar dat verlossing niet losstaat van lijden. Maria en Jozef zullen dit dragen in geloof, ook wanneer zij niet alles begrijpen.

Zo leert de Heilige Familie ons dat geloof niet samenvalt met zekerheid of volledig inzicht, maar met trouw. Maria en Jozef openen door hun gehoorzaamheid ruimte voor Gods aanwezigheid. Hun gezin wordt zo een plaats waar God onder de mensen woont — niet omdat alles volmaakt is, maar omdat het gedragen wordt door geloof en vertrouwen.

Pastoor Geudens

Preek over het doopsel van Jezus in de Jordaan

Als je aan de doop van Jezus in de Jordaan denkt, lijkt dat misschien een “los” moment: een religieuze scène met water, een stem uit de hemel, een duif. Maar eigenlijk kun je dit pas begrijpen als je terugkijkt naar Nazareth. Jezus heeft daar bijna dertig jaar lang een verborgen leven geleid: geen wonderen, geen podium, geen groot project. Gewoon: opgroeien in een gezin, leren, werken, gehoorzamen, wachten, trouw blijven in het kleine. En dat is precies al een boodschap: God kiest er niet voor om de menselijkheid te ontwijken, maar om haar van binnenuit te dragen en te heiligen. Het gewone leven is dus geen saaie tussenfase; het is een plek waar iets van God zichtbaar kan worden.

En dan gebeurt er iets dat alles kantelt. Jezus verlaat Nazareth en gaat naar de Jordaan, waar Johannes de Doper mensen oproept tot bekering. Johannes’ doop is een teken van: “Ik wil anders leven. Ik erken dat er in mij dingen scheef zitten.” En precies daar, in die rij van mensen die hun gebrokenheid toegeven, gaat Jezus staan.

Dat is eigenlijk schokkend. Jezus is zonder zonde—en toch laat Hij zich dopen met een doop van boetvaardigheid. Waarom zou iemand die niets te bekennen heeft, in die rij gaan staan? Omdat Hij zich vrijwillig één maakt met ons. Hij komt niet als iemand die vanop afstand zegt wat wij fout doen. Hij komt zó dicht dat Hij onze plaats inneemt. Zijn doop is geen schuldbelijdenis van Jezus, maar een daad van solidariteit: Hij zegt als het ware: jullie ellende, jullie schuld, jullie afstand tot God—ik ga daar niet boven staan, ik ga daarin staan.

Als Jezus tegen Johannes zegt: “Zo moeten wij alle gerechtigheid vervullen”, bedoelt Hij niet: “zo hoort het nu eenmaal volgens de regels.” Hij bedoelt: “dit is de weg van God.” Gods gerechtigheid is geen koude rechtspraak, maar reddende liefde die zich neerbuigt. Hier zie je al wat Jezus later volledig zal doen: Hij zal de zonde niet wegrelativeren, maar dragen. De Jordaan is al een schaduw vooruit van het kruis.

En dan antwoordt God. De hemel gaat open, de Geest daalt neer als een duif, en de stem van de Vader klinkt: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde.” Let op hoe scherp dat is: juist op het moment dat Jezus zich verbindt met zondaars, wordt zijn echte identiteit openbaar. Hier zie je het hart van het christelijk geloof: God is geen eenzame macht, maar levende Gemeenschap—Vader, Zoon en Geest—en die Gemeenschap opent zich naar ons toe.

Dat raakt ook aan wat doop voor ons betekent. De doop van Jezus is als het begin van een nieuwe werkelijkheid. Doop is niet alleen “water over je hoofd” of een traditie van vroeger. Het gaat over een nieuwe identiteit: je wordt verbonden met Christus, opgenomen in zijn leven. Zijn solidariteit met ons wordt onze verbondenheid met Hem. Je mag leven als kind van God—niet omdat je het perfect doet, maar omdat God je in Christus aanneemt.

En misschien is dát wel het meest bevrijdende voor ons, mensen, die keuzes moeten maken en zoeken naar zin: God wacht niet tot jij moreel geslaagd bent. Hij komt je tegemoet midden in je kwetsbaarheid, midden in je vragen, midden in wat in jou nog niet af is. De doop van Jezus zegt: je hoeft je gebrokenheid niet te verbergen om bij God te horen. Juist daar wil Hij je ontmoeten.

Zo staat Jezus in de Jordaan aan het begin van een weg die loopt naar kruis en verrijzenis. Hij maakt zich één met ons, omdat Hij gekomen is om onze zonden op zich te nemen. En wie met Hem verbonden leeft, wordt uitgenodigd om dezelfde beweging te maken: niet leven vanuit zelfbescherming, maar vanuit liefde die zich geeft. Dat is de ernst—maar ook de hoop—van de doop in de Jordaan.

Bron: Het ware Licht, handleiding voor de praktijk van het geloofsonderricht, Bethanië Bloemendaal, Pax, Den Haag, November 1954, blz. 121-130.

Bewerking: pastoor Geudens