Selectie uit de Profetieën en Openbaringen van de Heilige Birgitta van Zweden – Boek 1 Hoofdstuk 5 t/m 7

HeiligeBirgittavanZweden

2015

Heilige Birgitta van Zweden, Co-Patrones van Europa


Christus’ meest liefdevolle woorden tot zijn bruid met de prachtige allegorie van een adellijk kasteel dat de militante Kerk voorstelt, en over de huidige manier dat Gods Kerk door de gebeden
van de glorierijke Maagd en de heiligen wordt herbouwd.

Boek 1 – Hoofdstuk 5

Ik ben de Schepper van alle dingen. Ik ben de koning van de glorie en de heer der engelen. Ik bouwde voor Mijzelf een adellijk kasteel en heb daarin mijn uitverkorenen geplaatst. Mijn vijanden ondermijnden zijn funda­menten en zo hebben ze mijn vrienden kunnen overweldigen. Hun botten werden zo zwaar geprest dat het merg eruit vluchtte. Hun mond werd door stenen het zwijgen opgelegd en honger en dorst heeft ze ge­kweld. Boven­dien vervolgen ze hun Heer. Nu zuchten en smeken mijn vrienden om hulp. De rechtvaardigheid roept om wraak, maar de genade zegt dat men dient te vergeven.

Toen zei God tot het hemelse leger dat Hem bijstond: ‘Wat denken jullie over deze mensen die mijn kasteel hebben bezet?’ Ze ant­woordden unaniem: ‘Heer, alle gerechtigheid is in U en in U zien we alle dingen. Al het oordeel is aan U, Zoon van God, gegeven die bestaat zonder begin of eind, U bent hun rechter.’ En Hij zei: ‘Alhoewel u alle dingen in Mij ziet, ben Ik hier omwille van mijn bruid. Vertel Mij wat een eerlijk proces is.’ Ze antwoordden: ‘Dit is rechtvaardigheid: dat zij die de muur hebben ondermijnd als dieven worden gestraft, dat zij die in het kwaad volharden als geweldenaars worden gestraft en dat de ge­vangenen worden bevrijd en de honge­ri­gen verzadigd.’

Toen sprak Maria Moeder van God, die tot dan toe gezwegen had: ‘Mijn Heer en meest dierbare zoon, jij was in mijn baarmoeder als ware God en mens. Jij hebt mij met jouw genade geheiligd, die een aards vat was. Ik smeek U: ontferm U nog eenmaal over hen!’ De Heer ant­woordde zijn moeder: ‘Gezegend is het woord van jouw mond! Als een zoete geur stijgt die op tot God. Je bent de glorie en koningin van alle engelen en heiligen, want God wordt door jou vertroost en door jou verblijden alle heiligen zich. Omdat jouw wil vanaf je vroegste jeugd de mijne is geweest zal Ik wederom doen wat jij verlangt.’

Toen zei Hij tegen de verzamelde mensen (de gelovigen): ‘Omdat jullie uit naam der liefde moe­dig vechten zal Ik vrede brengen. Zie, Ik zal mijn muur weer opbouwen rekening houdend met jullie gebeden. Ik zal dege­nen die onder­drukt werden door de krachten redden en genezen en zal hen hon­derd­voudig eren voor de door hen geleden mishandelingen. Als de gewel­denaars om barmhartigheid vragen zal vrede en genade hun deel zijn. Zij die dat misprijzen zullen mijn gerechtigheid ervaren.’

Toen zei Hij (God de Vader) tot zijn bruid:

Mijn bruid, Ik heb je gekozen en met mijn Geest be­kleed. Je hoort mijn woorden en die van mijn heiligen die, ook al doorzien ze de dingen in Mij, hun manier van spreken voor jou hebben aangepast, zodat je het kunt begrijpen. Immers, jij, die nog steeds in het lichaam zit, kan Mij niet op dezelfde wijze zien als zij die dat in de geest doen.

Ik laat je nu zien wat dit betekent. Het kasteel, waarvan Ik sprak, is de Heilige Kerk die Ik met mijn bloed en dat van de heiligen heb ge­bouwd. Ik heb dat gedaan met het cement van mijn liefde en heb mijn uit­ver­korenen en vrienden in deze burcht gezet. Het fundament is het geloof vanuit de over­tuiging dat Ik een eerlijk en barmhartig rechter ben.

Echter, het fundament is nu ondergraven want iedereen denkt en predikt dat Ik barmhartig en genadevol ben, maar bijna niemand gelooft nog dat Ik een eerlijk rechter ben. Ze denken dat Ik een boze rechter ben. De boze rech­ter die uit genade de goddelozen onbestraft laat zodat zij ver­der kun­nen gaan in het onderdrukken van de rechtvaardigheid. Maar Ik ben een rechtvaardig en barmhartig rechter en zal niet toestaan dat zelfs de min­ste zonde ongestraft blijft noch de minst goede daad onbeloond.

Door het ondergraven van dit fundament kwamen in de Heilige Kerk mensen binnen die onbekommerd zondigden en ontkenden dat Ik recht­vaardig ben. Ze kwellen mijn vrienden zo erg alsof die in het gevang zit­ten, want mijn vrienden is geen vreugde of troost voorbehouden. Ze wor­den in plaats daarvan gestraft en verguisd als waren ze door de duivel be­ze­ten. Als zij de waar­heid over Mij zeggen, worden ze tegengesproken en van leugens beticht. Ze hebben een dorstig verlangen naar het ho­ren van de waar­heid en willen die uitspreken, maar niemand luistert of praat op een fatsoenlijke manier met ze.

Bovendien word Ik, God de Schepper, gelasterd, want zeggen de mensen: ‘We weten niet of God bestaat en indien Hij bestaat laat het ons koud.’ Ze werpen mijn vaandel neer en terwijl ze die vertrappen zeggen ze: ‘Waarom heeft Hij geleden? Wat hebben wij daaraan? Als Hij maar onze wensen vervult. Dat volstaat. Laat Hem zijn rijk in de Hemel heb­ben!’ Ik wil maaltijd met ze houden, maar dan zeggen ze: ‘We ster­ven lie­ver dan dat we aan onze eigen wil verzaken!’ Mijn bruid, zie wat voor men­sen dit zijn! Ik heb ze gemaakt en kan ze met een enkel woord ver­nie­tigen. Hoe bestaat het dat ze tegen Mij in opstand komen! Dankzij de ge­beden van mijn Moeder en alle heiligen ben Ik nog zo ge­duldig en barm­hartig dat Ik ze de woorden van mijn mond stuur en mijn barm­har­tigheid aanbied.

Als ze die willen aanvaarden laat ik Mij gunstig stemmen. Anders zullen zij mijn recht­vaardigheid kennen en als dieven voor en engelen en mensen publiekelijk ten toon worden gesteld, en door hun allen worden veroordeeld. Net als criminelen, die aan de galg worden opgehangen en door kraaien verslonden, zullen zij door demonen worden ver­slon­den maar niet veror­berd. Net als mensen die met stokslagen worden gestraft, zullen zij geen rust kennen en aan alle kanten pijn en bitterheid voelen. Een wilde rivier stroomt hun mond binnen, maar hun buik wordt niet ge­vuld, en elke dag wor­den ze aan een nieuwe marteling onder­wor­pen.

Mijn vrienden echter zullen veilig zijn en door de woorden uit mijn mond worden getroost. Ze zien mijn gerechtigheid niet los van mijn ge­nade. Ik heb ze in de wapens van mijn liefde gebracht en zo sterk gemaakt dat de vijanden van het geloof als modder zijn die, wanneer ze mijn gerech­tigheid zien, zich voor eeuwig zullen schamen omdat ze mijn ge­duld hebben misbruikt.


Christus’ woorden tot zijn bruid over hoe zijn Geest zich niet in de goddelozen kan vestigen, en over de scheiding van de bozen van de goeden en het uitsturen van goede mensen, die uitgerust
met geestelijke wapens, strijd voeren tegen de wereld.

Boek 1 – Hoofdstuk 6

Mijn vijanden zijn als de wildste beesten die nooit blijvende rust hebben. Hun hart is zo leeg van liefde jegens Mij dat de gedachte aan mijn lijden nooit bij hen opkomt. Nooit hebben zij vanuit het diepst van hun hart gesproken: ‘Heer, U hebt ons vrijgekocht, U zij geprezen voor uw bitter lijden!’ Hoe kan mijn Geest in iemand wonen die geen god­de­lijke liefde voor Mij voelt (de ware liefde is altijd goddelijk geïnspireerd), als zo iemand bereid is anderen te ver­raden om zijn eigen wil door te zetten? Hun hart is vol ongedierte, Ik bedoel we­reldse lusten. In hun monden heeft de duivel zijn uitwerpselen gelegd en daarom houden ze niet van mijn woorden.

Daarom zal Ik ze met mijn zaag van mijn vrienden schei­den. Er is geen ergere dood dan te zijn afgezaagd (van de vereniging met God en zijn vrienden). Zo zal er geen straf zijn die zij niet onder­gaan: ze zullen door de duivel in tweeën gezaagd worden en van Mij wor­den afgescheiden. Ze haten Mij zo erg dat ook al hun aanhangers van Mij zullen worden ge­schei­den. Derhalve stuur Ik mijn vrienden opdat ze de duivels van mijn ledematen (de Kerk) scheiden, want de duivels zijn mijn echte vijanden. Ik stuur ze als ridders in de oorlog. Eenieder die zijn vlees tuch­tigt en zich van onwettigheden onthoudt is mijn ware ridder.

Zij zullen de woorden uit mijn mond als lansen gebruiken en hun hand zal het zwaard van het geloof hanteren. Hun borst zal met het pant­ser der liefde bedekt zijn zodat, wat er ook gebeurt, hun liefde voor Mij niet verzwakt. Ze moeten aan hun zijde het schild van geduld dragen om alles lijdzaam te kunnen doorstaan. Ik heb ze als goud in een smeltkroes gestopt, maar thans moeten ze verdergaan en mijn wegen bewandelen.

Wegens de vereiste rechtvaardigheid kon Ik de glorie van mijn grootsheid niet binnentreden zonder de beproevingen te hebben door­staan van mijn mense­lijke natuur. Dus hoe zullen ze binnengaan? Als hun Heer heeft geleden is het niet verwonderlijk dat ook zij moeten lijden. Als hun Heer zweepslagen heeft verdragen stelt het niet veel voor om gese­lende woor­den te verdragen. Ze hoeven geen angst te hebben want Ik zal ze nooit verlaten. Zoals het voor de duivel onmogelijk is om bij Gods Hart te komen en het uiteen te rijten zo is het voor de duivel onmogelijk om ze van Mij te scheiden. En omdat ze vanuit mijn standpunt als het zuiver­ste goud zijn, alhoewel ze met een beetje vuur worden getest, zal Ik ze niet verlaten. Immers, een grotere beloning ligt voor hen in het verschiet.


De roemrijke woorden van de Maagd Maria tot haar dochter over hoe zij zich moet kleden en welke sieraden zij moet dragen.

Boek 1 – Hoofdstuk 7

Ik ben Maria die geboorte heeft gegeven aan de Zoon van God, ware God en waarachtig mens. Ik ben de Koningin van de engelen. Mijn zoon bemint jou van ganser harte. Dus bemin Hem! Je moet je tooien met de nobelste kleding en Ik zal je laten zien welk soort kleding dat moet zijn. Zoals je altijd al een hemd, dan een tuniek, dan schoenen en een man­tel droeg, en op je borst een broche, moet je nu spirituele kleren dragen.

Het hemd vertegenwoordigt berouw. Zoals het hemd het dichtst op het lichaam wordt gedra­gen, zijn berouw en belijdenis de eerste weg tot een gesprek met God. Hier­door wordt de geest, die eens vreugde in de zonde vond, gezuiverd en wordt het onkuise lichaam bedwongen.

De twee schoe­nen zijn de twee wilsuitingen, namelijk het voornemen om eerdere over­tredingen te her­stellen en de intentie om goed te doen en afstand van het kwaad te nemen.

Je tu­niek is de hoop op God. Zoals een tuniek twee mouwen heeft zal er recht­vaar­digheid en barmhartigheid zijn. Op die manier zul je Gods gena­de ver­wachten terwijl je zijn rechtvaardigheid niet veronachtzaamt. Denk ook na over zijn rechtvaardigheid en oordeel terwijl je zijn genade niet veronachtzaamt, want zijn rechtvaardigheid werkt niet zonder de ge­nade net zomin als zijn ge­nade zonder de gerechtigheid werkt.

De mantel vertegenwoordigt het geloof. Zoals de mantel alles bedekt en omsluit kan de mens alles door het geloof de dingen begrij­pen en tot stand brengen. Deze mantel moet versierd worden met de tekenen van de liefde van de bruide­gom, die Hem ertoe heeft bewogen je te scheppen, vrij te kopen en voeden en ertoe leidde je in zijn Geest te brengen, een daad waardoor je spirituele ogen werden geopend.

De broche hecht de overpeinzing van zijn lijden stevig op je borst vast: van hoe Hij bespot en gegeseld werd, hoe Hij levend aan het Kruis hing, bloedend en in al zijn ledematen doorstoken, hoe zijn hele lichaam samentrok door de acute pijn van het lijden bij de nadering van de dood, hoe Hij toen zijn Geest in de handen van zijn Vader toevertrouwde. Draag die broche al­tijd op je borst.

Laat een kroon op je hoofd zetten, Ik bedoel hier de kuisheid mee in je begeerten, waardoor je eerder geseling wilt lijden dan verder te worden bevlekt. Wees bescheiden en waardig! Denk aan niets anders dan jouw God en schepper en wens niets anders. Als je Hem bezit, bezit je alles.

Zo getooid dien je je bruidegom op te wachten.


(wordt hier vervolgd)


Selectie uit de Profetieën en Openbaringen van de Heilige Birgitta van Zweden – Boek 1 Hoofdstuk 2 t/m 4

HeiligeBirgittavanZweden

2015

Heilige Birgitta van Zweden, Co-Patrones van Europa


De woorden van onze Heer Jezus Christus tot de dochter, die Hij tot bruid heeft verkozen, aangaande de inzettingen van het ware geloof, en over de kwaliteiten en voornemens die de bruid jegens de bruidegom moet hebben.

Boek 1 – Hoofdstuk 2

Ik ben de Schepper van de hemel, de aarde en de zee en van alles wat zich hierin bevindt. Ik ben één met de Vader en de Heilige Geest, niet als een god van steen of goud zoals mensen ooit zeiden, en ben niet ver­schillende goden zoals mensen toen dachten, maar de Ene God, Vader, Zoon en Heilige Geest, drie personen maar één in de goddelijke natuur, de Schepper van alles, maar die door niemand is gemaakt, onveranderlijk en al­machtig, be­staande zonder enig begin of eind.

Ik ben Hem die zonder verlies van zijn goddelijkheid uit de Maagd werd geboren, maar verenigd werd met het mens-zijn, zodat Ik in een (mense­lijke) persoon de ware Zoon van God en de zoon van de Maagd kan zijn. Ik ben het die aan het kruis hing, stierf en werd begraven terwijl mijn goddelijkheid intact bleef. Alhoewel Ik in menselijke gestalte en in het vlees stierf dat Ik de enige Zoon had aangenomen, leefde Ik toch door in de goddelijke natuur waarin Ik één God was samen met de Vader en de Heilige Geest.

Ik ben dezelfde man die uit de dood is opgestaan en ten hemel is op­gestegen die nu door mijn geest met je spreekt. Ik heb je gekozen en tot bruid genomen om je zo mijn geheimen te laten zien, omdat het Mij behaagt dit te doen. Je bent ook met recht de mijne geworden, daar je je wil hebt overgegeven aan Mij toen je echtgenoot overleed. Na zijn dood, heb je nagedacht en gebeden hoe je arm kon worden omwille van Mij en wilde je alles voor Mij opgeven. Dus heb Ik een terechte aanspraak op je. In ruil voor deze grote liefde van jou past het gewoon dat Ik voor je zorg. Daarom neem Ik jou tot mijn bruid om met jou dat geestelijk genot te smaken, het soort dat geschikt is voor God en een kuise ziel.

Het past de bruid gereed te zijn zodra de bruidegom beslist te gaan trouwen, zodat ze netjes gekleed en rein kan zijn. Je wordt rein als je je zonden steeds indachtig bent: hoe Ik je door het doopsel van Adams zon­de reinigde en hoe vaak Ik je heb gesteund en heb behouden toen je in zonde verviel; hoe Ik dikwijls lankmoedig en geduldig met je ben geweest als je zondigde. De bruid moet ook de tekenen van de bruide­gom op haar borst dragen, Ik bedoel, je moet de gunsten en voordelen in gedachten houden die Ik voor je heb verkregen, zoals hoe edel Ik je ge­schapen heb door je een lichaam en ziel te geven, hoe Ik je met gunst­bewijzen over­laden heb door je gezondheid en aardse goederen te schen­ken, hoe teder en liefdevol Ik je heb gered toen Ik voor je stierf en je het koninkrijk der hemelen weer als erfdeel gaf, indien je dat wilt aanvaarden. De bruid moet ook de wil van haar bruidegom vervullen. Wat is mijn wens anders dan dat je Mij liefhebt boven alle dingen en niets anders wenst dan Mij?

Ik schiep alles ter wille van de mens en maakte alles aan hem on­derdanig. Toch heeft hij alles lief behalve Mij en haat hij niets behalve Mij. Ik heb zijn erfenis, die hij verloren had, teruggekocht, maar hij is zo vervreemd geraakt en onverstandig dat hij liever de vergankelijke eer – die niets anders is dan het schuim der zee, dat het ene moment opstijgt als een berg maar terstond verdwijnt en vervliegt – boven de eeuwige glorie verkiest waarin het eeuwige goed is. Daarom mijn bruid, indien je buiten Mij niets anders begeert en alles ter wille van Mij veracht, niet slechts kinderen en familieleden alsook rijkdom en eer, zal Ik je het kost­baarste en heerlijkste loon schenken.

Ik zal je als loon geen goud of zilver geven, maar Mijzelf als uw bruide­gom, die de koning van de glorie is. Als je je schaamt om arm en ver­smaad te zijn, bedenk dan hoe jouw God je voorging toen zijn die­naren en vrienden Hem van de aarde verbannen hebben, want Ik zocht geen vrien­den op aarde maar vrienden in de hemel.

Als je bevreesd en bang bent voor de last van arbeid en ziekte be­denk dan hoe pijnlijk het is om in het vuur te branden. Wat zou je verdie­nen als je een aardse meester zoals Mij beledigt? Want, hoewel Ik je met heel mijn hart bemin, zou Ik toch in geen enkel opzicht onrecht­vaardig zijn in­dien Ik het gehele lichaam liet boeten voor wat het lichaam in al zijn leden misdreven had. Maar vanwege je goede wil en vastbera­den­heid je leven te beteren zet Ik mijn oordeel om in een van genade en scheld Ik je de zware straf kwijt op grond van een geringe verbetering. Omhels der­halve je kleine problemen zodat je gereinigd kunt zijn van zonden en je de grotere beloning sneller zult bereiken. Het is goed voor de bruid om samen met de bruidegom te zwoegen zodat zij met des te meer vertrou­wen met hem mag uitrusten.


De woorden van onze Heer Jezus Christus tot zijn bruid in zijn onderricht over de liefde en de eer tot Hem, de bruidegom, en over de haat van de goddelozen tegenover God en over hun liefde tot het wereldse.

Boek 1 – Hoofdstuk 3

Ik ben uw God en Heer, diegeen die u aanbidt. Ik ben het die de hemel en aarde door mijn macht in stand houdt. Ze worden door niets anders of pijlers in stand gehouden. Ik ben het die in de vorm van het dagelijks brood op het altaar als ware God en ware mens wordt opgeof­ferd. Ik ben diegeen die jou heeft verkozen. Eer mijn Vader! Bemin Mij! Gehoorzaam mijn Geest! Onderwerp je aan mijn Moeder als jouw meeste­res! Eer al mijn heiligen! Houd het ware geloof, u door hem aangeleerd die in zichzelf het conflict tussen de twee geesten heeft ervaren, de geest van leugen en de geest van waarheid, en die met mijn hulp heeft geze­ge­vierd. Behoud ware nederigheid! Wat is ware nederig­heid als je God niet prijst voor de goede dingen die Hij ons geschonken heeft?

Tegenwoordig echter zijn er veel mensen die Mij haten en mijn da­den en mijn woorden als pijnlijk en leeg beschouwen. Ze verwelkomen het over­spel, de duivel, met open armen, en ze houden van hem. En als ze iets voor Mij doen, doen ze dat sputterend en met wrok. Als het niet uit angst voor andermans mening was zouden ze mijn naam niet veinzen (in de tijd toen iedereen Christen was). Ze hebben zo’n oprechte liefde voor de ge­neugten van de wereld dat zij nooit moe worden om er dag en nacht voor te werken en dat is hetgeen waarvoor ze van liefde branden. Hun diensten zijn Mij net zoveel waard als van iemand die zijn vijand geld geeft om zijn eigen zoon te laten vermoorden.

Dit is wat ze doen. Ze geven Mij wat aalmoezen en eren Mij met de lippen om zo werelds succes te boeken en toch in zonde te blijven. De goede geest in hen wordt aldus belem­merd om in deugd te groeien. Als je van Mij wilt houden met heel je hart en niks anders dan Mij wenst, zal Ik je door banden van liefde naar Mij toetrekken, net als de magneet het ijzer naar zich toetrekt. Ik zal je op mijn arm leggen die zo sterk is dat nie­mand hem kan uitstrekken en zo stug dat eenmaal uitge­strekt nie­mand die zal kunnen terugbuigen. Het is zo zoet dat het elke geur over­stijgt waarbij de ge­neugten van deze wereld onvergelijkbaar zijn.


 De woorden van onze Heer Jezus Christus tot zijn bruid over hoe zij zich geen zorgen hoeft te maken of te denken dat de dingen die haar worden geopenbaard afkomstig zijn van een boze geest, en over het herkennen van een goede of een boze geest.

Boek 1 – Hoofdstuk 4

Ik ben uw Schepper en Verlosser: Waarom vreesde je mijn woorden? Waarom vroeg je je af of ze uit een goede of boze geest kwa­men? Vertel Mij, heb je iets in mijn woorden gevonden dat tegen je geweten inging? Of heb Ik je iets bevolen dat onredelijk was?

Hierop antwoordde de bruid: ‘Nee integendeel, ze zijn allemaal waar en ik heb me zwaar vergist.’

De Heilige Geest antwoordde:

Ik heb je drie dingen opgedragen. Daaruit kon je de goede geest herkennen. Ik beval je jouw God te eren die jou gemaakt heeft en alles gegeven heeft wat je bezit. Dat je Hem boven alles moet eren geeft je verstand aan. Ik beval je ook het ware geloof te bewaren, dat is, te geloven dat er niets zonder God is gemaakt en dat niets zonder Hem kan worden gedaan. Tevens heb ik bevolen in alles een ingetogen matig­heid na te streven; de wereld is ge­maakt voor men­selijk gebruik maar de mensen moeten het in overeenstem­ming met hun be­hoeftes ge­bruiken.

Je kunt de onreine geest ook uit drie andere dingen kennen die zich tegen je keren. Hij verleidt je om eigen roem te zoeken en trots te zijn op de dingen die je gekregen hebt. Hij verleidt je om het geloof steeds in twijfel te trekken. Ook tracht hij je tot on­zuiverheid in heel je lichaam en wat dan ook te brengen, en hij laat je hart daarvoor bran­den. Soms ook be­driegt hij de mensen onder het mom van het goede. Dit is waarom Ik je aanraad altijd je geweten te onderzoeken en je overleggingen aan wijze geestelijke leids­mannen voor te leggen.

Twijfel er daarom niet aan dat Gods goede geest met jou is, want ik zie dat je niets anders dan God verlangt en dat je volledig voor zijn liefde in vuur en vlam staat. Dat kan alleen Ik doen, en daar­door kan de duivel jou onmogelijk inpalmen. Hij kan alleen slechte mensen aansturen en dan in­dien Ik het toelaat, hetzij door hun zonden of een geheim raadsbesluit dat alleen Ik ken, daar hij net als al die anderen mijn schepsel is en vanuit mijn goedheid geschapen werd. Ook al werd hij door eigen schuld slecht, Ik ben zijn Heer.

Daarom, ze hebben Mij ten onrechte be­schuldigd als ze zeggen dat de mensen die Mij met grote toewijding volgen krankzinnig zijn en door de duivel bezeten.

Ze maken Mij uit voor een man die de kuisheid van zijn op hem ver­trouwende vrouw aan een echtbreker blootstelt. Zo iemand zou ik zijn als Ik een rechtvaardige, die vol liefde voor Mij is, aan de duivel overlever. Echter, omdat Ik trouw ben, zal geen boze geest ooit controle krijgen over een ziel van een van mijn toegewijde dienaars.

Als sommige van mijn vrien­den welhaast gek lijken, is dat niet om­dat ze onder de duivel te lijden hebben of omdat ze Mij met vurige toewij­ding dienen. Dat is eerder te wijten aan een fout in de hersens of een of andere verborgen oorzaak dat wordt toegelaten om desbetreffende tot nederigheid te brengen.

Soms gebeurt het dat de duivel macht van Mij krijgt over de organen van goede mensen opdat Ik hen later een grotere beloning kan geven, of dat hij hun geweten verduistert. Blijft staan dat hij nooit over zie­len kan heersen die hun geloof in Mij en hun liefde tot Mij voorop stel­len.


(wordt hier vervolgd)