Selectie uit de Profetieën en Openbaringen van de Heilige Birgitta van Zweden – Boek 1 Hoofdstuk 8 t/m 10

HeiligeBirgittavanZweden

2015

Heilige Birgitta van Zweden, Co-Patrones van Europa


De woorden van de Koningin van de Hemel tot haar geliefde dochter, waarin ze leert hoe ze samen met de Moeder haar Zoon moet liefhebben en prijzen.

Boek 1 – Hoofdstuk 8

Ik ben de Koningin van de Hemel. Jij was bezorgd over hoe je Mij moet prijzen. Wees verzekerd dat alle lof voor mijn zoon lof voor mij is. En degenen die Hem te schande maken maken mij te schande, aangezien mijn liefde voor Hem en zijn liefde voor mij zo vurig was dat wij tweeën als één Hart waren. Hij eerde mij, die een aards schip was, zo hoog, dat Hij mij boven alle engelen heeft verheven.

Daarom zou je mij op de volgende manier moeten prijzen:

Gezegend bent U God, schepper van alle dingen, die welwillend in de schoot van de Maagd Maria is neergedaald.

Gezegend bent U God, die in de Maagd Maria wilde zijn zonder haar te kwetsen en zich gewaar­digd hebt om een onbevlekt lichaam van haar te ontvangen dat zonder zonde is.

Gezegend bent U God, die tot de Maagd is gekomen, vreugde bren­gend aan haar ziel en hele lichaam, en die uit haar ging met de zon­deloze vreugde van al haar ledematen.

Gezegend bent U God, die na uw hemelvaart de Maagd Maria, uw moeder, met veel troost heeft verheugd en haar heeft bezocht om haar met Zichzelf te troosten.

Gezegend bent U God, die het lichaam en de ziel van de Maagd Maria, uw moeder, in de Hemel heeft opgenomen en haar heeft geëerd door haar boven alle engelen naast uw goddelijkheid te doen plaats­ne­men.

Wees mij genadig omwille van haar gebeden.


De woorden van de Koningin van de Hemel tot haar geliefde dochter over de prachtige liefde die de Zoon had voor zijn Maagd Maria, en over hoe de Moeder van Christus in een kuis huwelijk werd verwekt en in de baarmoeder geheiligd, en over hoe haar lichaam en ziel in de Hemel werden opgenomen, en over de kracht van haar naam, en over engelen die aan de mens zijn toegewezen voor goed of kwaad.

Boek 1 – Hoofdstuk 9

Ik ben de Koningin van de Hemel. Ik hou van mijn zoon, want Hij is het meest waardig. Als je Hem hebt, heb je alles wat van waarde is. Hij is het meest wenselijk. Als je Hem hebt, heb je alles wat wenselijk is. Bemin Hem ook, want Hij is het meest deugdzaam. Als je Hem hebt, be­schik je over alle deugden.

Laat mij je vertellen hoe prachtig zijn liefde voor mijn lichaam en ziel was en hoeveel eer Hij mijn naam heeft gegeven. Hij, mijn eigen zoon, hield van mij voordat ik van Hem hield, aangezien Hij mijn schep­per is. Hij verenigde mijn vader en moeder in zulk een kuis huwelijk dat er toen geen kuiser paar te vinden was. Ze hebben nooit begeerd samen te komen, tenzij in overeenstemming met de (bijbelse) wet, alleen omwille van de voortplan­ting. Toen een engel hen aankondigde dat ze geboorte zouden geven aan de Maagd uit wie de verlossing der wereld zou komen, zouden ze nog liever gestorven zijn dan in wel­lus­tige liefde te zijn samengeko­men.

Maar, ik verzeker je, uit goddelijke naastenliefde en vanwege de boodschap van de engel kwamen zij samen in het vlees, niet uit begeerte maar tegen hun wil in en uit liefde tot God. Het is op deze manier dat mijn lichaam door goddelijke liefde uit hun zaad is voortgebracht. Nadat mijn lichaam was gevormd, zond God vanuit zijn goddelijkheid de gescha­pen ziel erin; de ziel werd onmiddellijk samen met het lichaam geheiligd en de engelen hebben elke dag en nacht over haar gewaakt en haar ver­zorgd. Mijn moeder was zo vervuld van blijdschap dat het niet in woorden is uit te drukken. Naderhand, toen de duur van mijn leven voorbij was, heeft Hij eerst mijn ziel, zijnde de meesteres van het lichaam, verheven naar een nog aanzienlijker plek dan anderen, naast de glorie van zijn godde­lijkheid, en daarna mijn lichaam, zodat geen ander geschapen lichaam zo dicht bij God is als het mijne. Zie hoeveel mijn zoon van mijn lichaam en ziel hield.

Er zijn een aantal kwaadaardig denkende mensen die ont­ken­nen dat ik met lichaam en ziel ben opgenomen. Er zijn ook sommigen die gewoon niet beter weten. Maar de waarheid hiervan staat vast: met lichaam en ziel ben ik in Gods glorie opgenomen.

Hoor hoe hoog Hij mijn naam heeft verheven. Mijn naam is zoals uit het Evangelie blijkt ‘Maria’. Als de engelen deze naam horen, verheugen zij zich. In het kennen daarvan dan­ken ze God omdat Hij zulk een grote genade door en met mij heeft be­werk­stel­ligd, en tevens omdat zij (in mij) de menselijkheid van mijn zoon in zijn goddelijkheid verheer­lijkt zien. De zielen in het vagevuur genieten intens (als zij mijn naam horen), net als bij een zieke die op bed ligt als hij van iemand een troostend woord hoort dat zijn hart streelt en hem plotseling blij maakt. Bij het horen van mijn naam ko­men de goede engelen meteen dichter bij de zielen aan wie zij als be­schermers zijn gegeven en verheu­gen zich dan over hun vooruitgang. Want goede engelen zijn ieder mens als bescherming gegeven en de boze engelen als beproeving.

Het is niet zo dat engelen ooit van God gescheiden zijn, maar eerder dat zij de zielen helpen zonder God te hebben verlaten terwijl zij voortdu­rend in zijn aanwe­zig­heid verblijven. Onderwijl laten ze de ziel opvlam­men en zetten die tot het goede aan. De demonen sidderen en hebben angst voor deze naam. Bij het geluid van de naam Maria laten zij de ziel onmiddellijk uit hun klau­wen los. Zoals een vogel met een prooi in zijn klauwen en bek die loslaat zodra het een (onheilspellend) geluid hoort. Maar direct daarna keert die terug als blijkt dat niks is voorgevallen. Zo laten ook de de­monen de ziel los, be­vreesd door het ge­luid van mijn naam, maar ze vliegen pijlsnel terug als er geen verbete­ring valt waar te nemen (in de toestand van deze mens).

Niemand is zo koud ten aanzien van Gods liefde – tenzij het een van de verdoem­den betreft – dat de duivel zich niet onmiddellijk van hem terugtrekt als hij een beroep doet op mijn naam met de intentie zijn slech­te gewoontes voor altijd te laten varen. Dan blijft de duivel weg tenzij deze mens (in een later stadium) aan wilszwakte ten prooi is en weer dood­zonden begaat. Soms echter is het de duivel geoorloofd hem problemen te geven omwille van diens gro­tere belo­ning later, maar dat is dan toch nooit om hem te bezitten.


De woorden van de Maagd Maria aan haar dochter over nuttige levenslessen, en een beschrijving van Christus’ lijdensweg.

Boek 1 – Hoofdstuk 10

Ik ben de Koningin van de Hemel, de Moeder van God. Ik vertelde je dat je een broche op je borst moet dragen. Ik zal je nu beter laten zien hoe je dat doet.

Vanaf het begin toen ik voor het eerst over Gods bestaan leerde, was ik altijd bekommerd over mijn verlossing en de religieuze voor­schrif­ten. Toen ik tot een vollediger kennis kwam dat God zelf mijn schep­per was en de rechter over al mijn daden, ging ik Hem heel diep lief­hebben en was ik voortdurend alert en waakzaam opdat ik Hem niet in woord of daad zou beledigen. Toen ik leerde dat Hij zijn wet en geboden aan zijn mensen had gegeven en dat er zoveel wonderen door Hem waren verricht, maakte ik in mijn ziel een krachtig besluit om Hem boven alles lief te hebben – en alle wereldse dingen werden mij bitter.

Vervolgens leerde ik dat God zelf de wereld zou verlossen en gebo­ren zou worden uit een maagd. Ik was zo verrukt van liefde voor Hem dat ik aan niets anders dacht dan God alleen en niets anders wilde dan Hem alleen. Voorzover ik daartoe in staat was, trok ik mij terug uit de gesprek­ken en de aanwezigheid van ouders en vrienden en schonk ik alles wat ik ver­zameld had aan de armen. Ik hield niets anders over dan karig voedsel en mijn eigen kleding (wat ik dagelijks droeg).

Niets anders dan God maakte mij blij. In mijn hart heb ik altijd ge­hoopt om tot aan het moment van zijn geboorte te mogen leven en het mis­schien te verdienen om de onwaardige dienstmaagd van de Moeder van God te zijn.

Ik beloofde in mijn hart mocht het Hem goeddunken om mijn maag­de­lijkheid te bewaren en nooit iets op aarde te bezitten. Maar als God het anders wilde, was mijn wil de zijne, niet de mijne moest worden vervuld. Ik geloofde dat Hij tot alles in staat is en niets anders wilde dan wat het beste voor mij is. En daarom vertrouwde ik geheel mijn wil aan de zijne toe. Toen de voorgeschreven tijd voor de presentatie van maag­den in de Tempel van de Heer was gekomen bevond ik mij daar ook onder omdat mijn ouders de voorschriften respecteerden. Ik dacht bij mijzelf dat niks onmogelijk is voor God, en dat, omdat Hij wist dat ik niets anders ver­lang­de en niets anders wilde dan Hem, Hij in staat zou zijn, mits dit Hem behaagde, mijn maagde­lijkheid in stand te houden: zoniet, dat zijn wil in vervul­ling geschiede!

Nadat ik in de Tempel naar alle geboden had geluisterd, ben ik naar huis teruggegaan, nog brandender van liefde voor God als ooit te­vo­ren, elke dag opgevlamd met nieuw vuur en verlangens van liefde. Om die reden heb ik mij nog meer van al het andere teruggetrokken en was ik dag en nacht alleen, sterk vrezend dat mijn mond iets zou zeggen of mijn oren iets zouden horen wat in strijd met Gods wil is of dat mijn ogen een glimp van de betovering van de (materiële) wereld zouden waarnemen.

Terwijl de vreze (Gods) in mijn hart heerste en ik op mijzelf was terugge­worpen en al mijn vertrouwen op God had gesteld, kwam het bij mij op over Gods grote macht na te denken, hoe de engelen en alle schep­selen Hem dienen, en wat zijn onbeschrijflijke en oneindige heerlijkheid in­hield. Toen ik dit alles overwoog kreeg ik drie wonderbaarlijke visioe­nen. Ik zag een ster, maar niet zoals een die aan de hemel schijnt. Ik zag een licht, maar niet zoals een die in de wereld schijnt. Ik rook een geur, niet van kruiden of zoiets, maar onbeschrijflijk zoet, die mij zo vervulde dat ik van vreugde juichte. Precies op dat moment hoorde ik een stem maar niet uit menselijke mond. Toen ik dat hoorde beefde ik van angst, want ik was bang dat het een werk van de duisternis was.

Op dat ogenblik verscheen een engel van God. Het was de prach­tig­ste mansper­soon, al­hoe­wel onvleselijk, en die zei tegen mij: ‘Wees ge­groet, gij vol van genade!’ Bij het horen daarvan vroeg ik mij af wat dit kon betekenen of waarom hij mij een dergelijke groet bracht, want ik wist dat ik onwaardig was voor zoiets of zulk een goed iets, maar ook dat het voor God mogelijk is alles te doen wat Hij wil. De engel zei vervolgens: ‘De nakomeling die in jou geboren zal worden is heilig en zal de Zoon van God worden genoemd. Het zal gebeuren zoals God het wil.’

Toen ik dat hoorde wilde ik weten wat hij bedoelde en waarom hij met zulk een groet kwam. Ik wist en bedacht bij mijzelf dat ik voor zulk een zaak of zoiets goeds onwaardig was, maar wist ook dat het voor God niet onmo­gelijk was te doen wat Hij wil. Toen zei de engel opnieuw: ‘Dat wat in u geboren wordt is heilig en zal de Zoon van God worden genoemd, en zoals het Hem behaagt zal geschieden.’ Desondanks hield ik mij geen enkel mo­ment daartoe waardig. Ik vroeg de engel niet ‘waarom’ of ‘wan­neer’ zulks zou plaatsvinden (waarmee ik doel op het feit) dat ik de on­waardige Moeder van God zou wor­den, en zei: ‘Hoe kan het dat ik die geen gemeenschap met een man heb de on­waar­dige moeder van God wordt?’ De engel antwoordde slechts, zoals reeds ge­zegd: ‘Voor God is niets onmogelijk, want alles wat Hij wil doen dat geschiedt.’

Toen ik de woorden van de engel hoorde, voelde ik de meest vurige wens om de Moeder van God te worden, en mijn ziel sprak zich uit van liefde: ‘Zie, hier ben ik, uw wil geschiede in mij.’ Juist tijdens het uit­spre­ken van dat woord ontving ik mijn zoon in de baarmoeder, wat ge­paard ging met een onbe­schrijfelijke sensatie van mijn ziel en heel mijn lichaam. Toen Hij in de baarmoeder was, droeg ik Hem zonder pijn, zon­der enige zwaarte of vermoeidheid van lichaam. In elk opzicht was ik nederig in de wetenschap dat ik de Almachtige droeg. Toen ik Hem baarde, deed ik dat zonder enige pijn of zonde, net zoals ik Hem had ont­vangen, met zo’n sensatie van mijn ziel en lichaam dat het voelde alsof ik op de wolken liep.

Precies zoals Hij in mijn lichaam was gekomen tot grote vreugde van heel mijn ziel, dus ook tot grote vreugde van heel mijn lichaam, verliet Hij mij, met mijn ziel vol vreugde en het liet mijn maagdelijkheid ongedeerd.

Toen ik naar Hem keek en zijn schoonheid overwoog, terwijl ik mij­zelf onwaardig wist voor zo’n zoon, sijpelde vreugde als druppels dauw door mijn ziel. Toen ik echter over de plaatsen nadacht waar, zoals ik door de profeten had geleerd, zijn handen en voeten aan het kruis gena­geld zou­den worden, vulden mijn ogen zich met tranen en werd mijn hart door verdriet verscheurd. Mijn zoon zag mijn huilende ogen en werd doodsbe­droefd. Toen ik zijn god­delijke kracht overwoog werd ik weer ge­troost, mij realiserend dat dit de manier is waarop Hij het wilde en dat het daarom de juiste manier is en alzo stemde ik overeen met zijn wil. Mijn vreugde werd dus altijd vermengd met verdriet.

Toen de tijd van het lijden van mijn zoon was aange­broken grepen zijn vijanden Hem vast. Ze sloegen Hem op zijn wang en in zijn nek en spuug­den op Hem en bespotten Hem. Toen Hij naar de pilaar werd ge­bracht deed Hij zelf zijn kleding uit en plaatste zijn handen op de pilaar waarna zijn vijanden ze genadeloos vastbonden. Zonder enige vorm van dekking aan de pilaar vastgebonden, gelijk Hij geboren was, stond Hij daar en ondervond de schaamte van zijn naaktheid. Zijn vrienden vlucht­ten weg maar zijn vijanden kwamen van alle kanten toegestroomd. Zo stonden ze daar en geselden zijn lichaam, een lichaam zonder enige vlek of zonde. Ik stond vlakbij. Tijdens de eerste zweepslagen viel ik flauw. Toen ik bij­kwam kon ik waarnemen hoe zijn lichaam zichtbaar tot op het bot gesla­gen en gegeseld was. Wat zelfs nóg vreselijker was, was toen ze de zwepen terugtrokken (met in de banden weerhaken bevestigd) waar­door zijn vlees door­ploegd werd zoals de aarde dat wordt met een ploeg.

Toen mijn zoon daar helemaal bebloed en bedekt met wonden stond, zodat geen enkel plekje waar Hij kon worden geslagen was over­geslagen, vroeg iemand in geestverrukking: ‘Gaan jullie Hem zonder oor­deel do­den?’ En onmiddelijk sneed hij zijn handen los. Toen deed mijn zoon zelf zijn kleren weer aan. Ik zag dat de plaats waar mijn zoon had gestaan met bloed bedekt was. Afgaand op zijn voet­afdrukken kon ik zeg­gen waar Hij had gelopen, want overal waar Hij was gegaan was de grond met bloed doorweekt. Ze hadden bijna geen geduld om Hem zich te laten aankleden maar duwden en trokken Hem om toch maar op te schieten. Terwijl mijn zoon als een dief werd afgevoerd, wiste Hij het bloed uit zijn ogen.

Toen Hij eenmaal veroordeeld was, legden ze het kruis op Hem om het te dragen. Hij droeg het een korte tijd toen iemand kwam die het voor Hem droeg. Terwijl mijn zoon naar de plek van zijn lijden ging, sloegen sommigen Hem op de nek en anderen in zijn ge­zicht. Hij werd zo hard geslagen en met zoveel kracht dat, al­hoe­wel ik niet zag wie Hem sloeg, ik het geluid van de klappen duidelijk hoorde. Toen ik samen met Hem bij de plaats van zijn lijden was aangekomen, zag ik alle gereed­schappen voor zijn terechtstelling klaarliggen.

Toen mijn zoon daar aan­kwam, kleedde Hij zichzelf uit terwijl de knechten tegen elkaar zei­den: ‘Dit zijn onze kleren. Hij zal ze niet terug­krijgen want Hij is ter dood veroordeeld.’ mijn zoon stond daar naakt zo­als Hij geboren was. Toen kwam iemand naar Hem toegelopen en bood Hem een kleed aan. Hij was blij daarmee zijn schaamte te kunnen bedek­ken. Zijn wrede beulen grepen Hem daarna vast en strekten Hem uit op het kruis. Eerst spijkerden ze zijn rechterhand aan de balk waarin het spijkergat al door­boord was. Ze doorstoken zijn hand op de plek waar het bot steviger was. Met een lus rukten ze aan zijn andere hand en maakten die op dezelfde wijze aan de houten balk vast. Daarna krui­sigden ze zijn rechtervoet met de linker er bovenop gebruikmakend van twee spij­kers, waardoor al zijn pezen en aderen overspanden en barstten.

Daarna plaatsten ze de doornenkroon op zijn hoofd. Die sneed zo diep in het eerbied­waar­dige hoofd van mijn zoon dat het stromende bloed zijn ogen vulde, zijn oren verstopte en zijn baard verkleurde waarlangs het naar beneden sijpelde. Toen Hij gewond en bloedend aan het Kruis hing kreeg Hij mede­lijden met mij, die er in tranen bijstond, en keek Hij met zijn bebloede ogen in de richting van mijn neef Johannes, die Hij mij toevertrouwde.

Onderwijl hoorde ik sommigen zeggen dat mijn zoon een dief was, anderen dat Hij een leugenaar was, weer anderen dat niemand de dood meer verdiende dan mijn zoon. Toen ik dit alles hoorde her­vatte zich mijn verdriet. Maar, zoals ik al eerder zei, toen de eerste nagel in Hem was vastgeklonken, schokte die eerste klap mij zo erg dat ik als dood neerviel, met verduisterde ogen, trillende handen en schokkende benen. In de bit­terheid van mijn verdriet trachtte ik niet op te kijken totdat Hij volledig aan het kruis was vastgenageld. Toen ik opstond zag ik mijn zoon in ellende hangend en ik, in mijn grondige verbijstering, kon als de diepst­bedroefde moeder, mij nauwelijks staande houden.

Toen mijn zoon mij en mijn vrienden ontroostbaar huilend zag, riep Hij met luider stem en smachtend uit: ‘Vader, waarom hebt U Mij verla­ten?’ Het was alsof Hij zeggen wilde: ‘Er is niemand die zich over Mij bekommert behalve U, Vader.’ Op dat moment schenen zijn ogen half levend, zijn wangen waren ingevallen, zijn gezicht somber, zijn mond stond open en zijn tong was bloe­derig. Zijn maag lag plat tegen zijn rug aan omdat alle vocht eruit onttrokken was en zo leek het dat Hij geen ingewanden meer had. Zijn hele lichaam was door het bloedverlies bleek en uitgeput. Zijn handen en voeten waren heel hard aangespannen, ze waren uit elkaar ge­trokken en voegden zich naar de vorm van het kruis. Zijn baard en haren waren vol­ledig met bloed doordrenkt. Toen mijn zoon daar zo verminkt en blauw­bleek hing, was alleen nog het hart krachtig, zijnde van het beste en sterkste soort. Van mijn vlees had Hij het zuiver­ste en perfect gevormde lichaam ontvangen. Zijn huid was zo dun en zacht dat het bloed bij de minste geseling onmiddellijk ging vloeien. Zijn bloed was zo vers dat het door zijn reine huid heen kon worden ontwaard. Juist omdat Hij het allerbeste lichaamsgestel had, voerden leven en dood een strijd in zijn gewonde lichaam. Op bepaalde momenten steeg de pijn in zijn doorboorde ledematen en pezen omhoog tot aan zijn nog krachtige en ongebroken hart en dat bracht daar ongelooflijke pijn en lijden teweeg. Op andere momenten ging de pijn vanuit zijn hart omlaag tot in zijn ge­wonde ledematen en op die manier was er een bittere doodsstrijd.

Met deze ellende omringd keek mijn zoon naar zijn huildende vrien­den die de pijn liever zelf zouden hebben ondervonden of liever eeuwig in de hel hadden willen branden dan Hem zo gemarteld te zien. Zijn verdriet over het verdriet van zijn vrienden overtrof alle bitterheid en be­proe­­vingen die Hij in zijn lichaam en hart onderging, want Hij koesterde een tedere liefde voor hen. Toen riep Hij onder de overweldi­gende en benau­wende pijnen van zijn men­selijke natuur tot zijn Vader uit: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn Geest.’ Toen ik, zijn aller­ver­drietigste moeder, deze stem hoorde huiverde mijn hele lichaam onder bittere hartspijnen. Tel­kens als ik later aan deze stem dacht, klonk het actueel en als nieuw in mijn oren.

Toen zijn dood naderde en zijn hart barstte van gewelddadige pijn, begon Hij over zijn hele lichaam en hoofd stuip­trek­kingen te krijgen. Hij hief zich wat op en viel dan weer omlaag, zijn mond viel open met een geheel bloederige tong. Zijn handen trokken zich een beetje terug van de plek waar ze waren doorstoken zodat zijn voeten extra gewicht van zijn li­chaam droegen. Zijn vingers en armen strekten zich iets uit en zijn rug drukte strak verstijfd tegen het kruis aan.

Sommigen zeiden tegen mij: ‘Maria, je zoon is dood.’ Anderen zei­den: ‘Hij is overleden, maar Hij zal weer herrijzen.’ Toen iedereen weg ging, kwam een man en stak met zoveel kracht een lans in zijn zijde dat het er bijna aan de andere kant uitkwam. Toen de speer werd teruggetrok­ken was de punt rood van bloed. Het leek alsof mijn eigen hart door­stoken was toen ik het hart van mijn zoon doorstoken zag.

Daarna werd Hij van het kruis gehaald. Ik nam zijn lichaam op mijn schoot. Het was als een melaatse, helemaal doodsbleek. Zijn ogen waren levenloos en vol bloed, zijn mond was koud als ijs, zijn baard als gevloch­ten, zijn gezicht verstijfd. Zijn handen waren zo stijf geworden dat ze niet verder omlaag gebogen konden worden dan tot aan ongeveer zijn navel.

Ik lag op mijn schoot. Zoals Hij aan het kruis hing lag Hij op mijn schoot, als een stijve man in al zijn ledematen. Daarna legden ze Hem in een schone linnen doek. Met mijn linnen kleed droogde ik zijn gekwetste ledematen en toen heb ik zijn ogen en mond gesloten, die open stonden terwijl Hij stierf. Zo hebben ze Hem in het graf gelegd. Hoe graag was ik daar levend in geplaatst samen met mijn zoon, in­dien Hij het zo gewild had! Nadat deze dingen geschied waren, kwam de goede Johannes en bracht mij naar zijn huis. Zie dan mijn dochter wat mijn zoon voor jou geleden geleden heeft!


(wordt hier vervolgd)


 

Selectie uit de Profetieën en Openbaringen van de Heilige Birgitta van Zweden – Boek 1 Hoofdstuk 5 t/m 7

HeiligeBirgittavanZweden

2015

Heilige Birgitta van Zweden, Co-Patrones van Europa


Christus’ meest liefdevolle woorden tot zijn bruid met de prachtige allegorie van een adellijk kasteel dat de militante Kerk voorstelt, en over de huidige manier dat Gods Kerk door de gebeden
van de glorierijke Maagd en de heiligen wordt herbouwd.

Boek 1 – Hoofdstuk 5

Ik ben de Schepper van alle dingen. Ik ben de koning van de glorie en de heer der engelen. Ik bouwde voor Mijzelf een adellijk kasteel en heb daarin mijn uitverkorenen geplaatst. Mijn vijanden ondermijnden zijn funda­menten en zo hebben ze mijn vrienden kunnen overweldigen. Hun botten werden zo zwaar geprest dat het merg eruit vluchtte. Hun mond werd door stenen het zwijgen opgelegd en honger en dorst heeft ze ge­kweld. Boven­dien vervolgen ze hun Heer. Nu zuchten en smeken mijn vrienden om hulp. De rechtvaardigheid roept om wraak, maar de genade zegt dat men dient te vergeven.

Toen zei God tot het hemelse leger dat Hem bijstond: ‘Wat denken jullie over deze mensen die mijn kasteel hebben bezet?’ Ze ant­woordden unaniem: ‘Heer, alle gerechtigheid is in U en in U zien we alle dingen. Al het oordeel is aan U, Zoon van God, gegeven die bestaat zonder begin of eind, U bent hun rechter.’ En Hij zei: ‘Alhoewel u alle dingen in Mij ziet, ben Ik hier omwille van mijn bruid. Vertel Mij wat een eerlijk proces is.’ Ze antwoordden: ‘Dit is rechtvaardigheid: dat zij die de muur hebben ondermijnd als dieven worden gestraft, dat zij die in het kwaad volharden als geweldenaars worden gestraft en dat de ge­vangenen worden bevrijd en de honge­ri­gen verzadigd.’

Toen sprak Maria Moeder van God, die tot dan toe gezwegen had: ‘Mijn Heer en meest dierbare zoon, jij was in mijn baarmoeder als ware God en mens. Jij hebt mij met jouw genade geheiligd, die een aards vat was. Ik smeek U: ontferm U nog eenmaal over hen!’ De Heer ant­woordde zijn moeder: ‘Gezegend is het woord van jouw mond! Als een zoete geur stijgt die op tot God. Je bent de glorie en koningin van alle engelen en heiligen, want God wordt door jou vertroost en door jou verblijden alle heiligen zich. Omdat jouw wil vanaf je vroegste jeugd de mijne is geweest zal Ik wederom doen wat jij verlangt.’

Toen zei Hij tegen de verzamelde mensen (de gelovigen): ‘Omdat jullie uit naam der liefde moe­dig vechten zal Ik vrede brengen. Zie, Ik zal mijn muur weer opbouwen rekening houdend met jullie gebeden. Ik zal dege­nen die onder­drukt werden door de krachten redden en genezen en zal hen hon­derd­voudig eren voor de door hen geleden mishandelingen. Als de gewel­denaars om barmhartigheid vragen zal vrede en genade hun deel zijn. Zij die dat misprijzen zullen mijn gerechtigheid ervaren.’

Toen zei Hij (God de Vader) tot zijn bruid:

Mijn bruid, Ik heb je gekozen en met mijn Geest be­kleed. Je hoort mijn woorden en die van mijn heiligen die, ook al doorzien ze de dingen in Mij, hun manier van spreken voor jou hebben aangepast, zodat je het kunt begrijpen. Immers, jij, die nog steeds in het lichaam zit, kan Mij niet op dezelfde wijze zien als zij die dat in de geest doen.

Ik laat je nu zien wat dit betekent. Het kasteel, waarvan Ik sprak, is de Heilige Kerk die Ik met mijn bloed en dat van de heiligen heb ge­bouwd. Ik heb dat gedaan met het cement van mijn liefde en heb mijn uit­ver­korenen en vrienden in deze burcht gezet. Het fundament is het geloof vanuit de over­tuiging dat Ik een eerlijk en barmhartig rechter ben.

Echter, het fundament is nu ondergraven want iedereen denkt en predikt dat Ik barmhartig en genadevol ben, maar bijna niemand gelooft nog dat Ik een eerlijk rechter ben. Ze denken dat Ik een boze rechter ben. De boze rech­ter die uit genade de goddelozen onbestraft laat zodat zij ver­der kun­nen gaan in het onderdrukken van de rechtvaardigheid. Maar Ik ben een rechtvaardig en barmhartig rechter en zal niet toestaan dat zelfs de min­ste zonde ongestraft blijft noch de minst goede daad onbeloond.

Door het ondergraven van dit fundament kwamen in de Heilige Kerk mensen binnen die onbekommerd zondigden en ontkenden dat Ik recht­vaardig ben. Ze kwellen mijn vrienden zo erg alsof die in het gevang zit­ten, want mijn vrienden is geen vreugde of troost voorbehouden. Ze wor­den in plaats daarvan gestraft en verguisd als waren ze door de duivel be­ze­ten. Als zij de waar­heid over Mij zeggen, worden ze tegengesproken en van leugens beticht. Ze hebben een dorstig verlangen naar het ho­ren van de waar­heid en willen die uitspreken, maar niemand luistert of praat op een fatsoenlijke manier met ze.

Bovendien word Ik, God de Schepper, gelasterd, want zeggen de mensen: ‘We weten niet of God bestaat en indien Hij bestaat laat het ons koud.’ Ze werpen mijn vaandel neer en terwijl ze die vertrappen zeggen ze: ‘Waarom heeft Hij geleden? Wat hebben wij daaraan? Als Hij maar onze wensen vervult. Dat volstaat. Laat Hem zijn rijk in de Hemel heb­ben!’ Ik wil maaltijd met ze houden, maar dan zeggen ze: ‘We ster­ven lie­ver dan dat we aan onze eigen wil verzaken!’ Mijn bruid, zie wat voor men­sen dit zijn! Ik heb ze gemaakt en kan ze met een enkel woord ver­nie­tigen. Hoe bestaat het dat ze tegen Mij in opstand komen! Dankzij de ge­beden van mijn Moeder en alle heiligen ben Ik nog zo ge­duldig en barm­hartig dat Ik ze de woorden van mijn mond stuur en mijn barm­har­tigheid aanbied.

Als ze die willen aanvaarden laat ik Mij gunstig stemmen. Anders zullen zij mijn recht­vaardigheid kennen en als dieven voor en engelen en mensen publiekelijk ten toon worden gesteld, en door hun allen worden veroordeeld. Net als criminelen, die aan de galg worden opgehangen en door kraaien verslonden, zullen zij door demonen worden ver­slon­den maar niet veror­berd. Net als mensen die met stokslagen worden gestraft, zullen zij geen rust kennen en aan alle kanten pijn en bitterheid voelen. Een wilde rivier stroomt hun mond binnen, maar hun buik wordt niet ge­vuld, en elke dag wor­den ze aan een nieuwe marteling onder­wor­pen.

Mijn vrienden echter zullen veilig zijn en door de woorden uit mijn mond worden getroost. Ze zien mijn gerechtigheid niet los van mijn ge­nade. Ik heb ze in de wapens van mijn liefde gebracht en zo sterk gemaakt dat de vijanden van het geloof als modder zijn die, wanneer ze mijn gerech­tigheid zien, zich voor eeuwig zullen schamen omdat ze mijn ge­duld hebben misbruikt.


Christus’ woorden tot zijn bruid over hoe zijn Geest zich niet in de goddelozen kan vestigen, en over de scheiding van de bozen van de goeden en het uitsturen van goede mensen, die uitgerust
met geestelijke wapens, strijd voeren tegen de wereld.

Boek 1 – Hoofdstuk 6

Mijn vijanden zijn als de wildste beesten die nooit blijvende rust hebben. Hun hart is zo leeg van liefde jegens Mij dat de gedachte aan mijn lijden nooit bij hen opkomt. Nooit hebben zij vanuit het diepst van hun hart gesproken: ‘Heer, U hebt ons vrijgekocht, U zij geprezen voor uw bitter lijden!’ Hoe kan mijn Geest in iemand wonen die geen god­de­lijke liefde voor Mij voelt (de ware liefde is altijd goddelijk geïnspireerd), als zo iemand bereid is anderen te ver­raden om zijn eigen wil door te zetten? Hun hart is vol ongedierte, Ik bedoel we­reldse lusten. In hun monden heeft de duivel zijn uitwerpselen gelegd en daarom houden ze niet van mijn woorden.

Daarom zal Ik ze met mijn zaag van mijn vrienden schei­den. Er is geen ergere dood dan te zijn afgezaagd (van de vereniging met God en zijn vrienden). Zo zal er geen straf zijn die zij niet onder­gaan: ze zullen door de duivel in tweeën gezaagd worden en van Mij wor­den afgescheiden. Ze haten Mij zo erg dat ook al hun aanhangers van Mij zullen worden ge­schei­den. Derhalve stuur Ik mijn vrienden opdat ze de duivels van mijn ledematen (de Kerk) scheiden, want de duivels zijn mijn echte vijanden. Ik stuur ze als ridders in de oorlog. Eenieder die zijn vlees tuch­tigt en zich van onwettigheden onthoudt is mijn ware ridder.

Zij zullen de woorden uit mijn mond als lansen gebruiken en hun hand zal het zwaard van het geloof hanteren. Hun borst zal met het pant­ser der liefde bedekt zijn zodat, wat er ook gebeurt, hun liefde voor Mij niet verzwakt. Ze moeten aan hun zijde het schild van geduld dragen om alles lijdzaam te kunnen doorstaan. Ik heb ze als goud in een smeltkroes gestopt, maar thans moeten ze verdergaan en mijn wegen bewandelen.

Wegens de vereiste rechtvaardigheid kon Ik de glorie van mijn grootsheid niet binnentreden zonder de beproevingen te hebben door­staan van mijn mense­lijke natuur. Dus hoe zullen ze binnengaan? Als hun Heer heeft geleden is het niet verwonderlijk dat ook zij moeten lijden. Als hun Heer zweepslagen heeft verdragen stelt het niet veel voor om gese­lende woor­den te verdragen. Ze hoeven geen angst te hebben want Ik zal ze nooit verlaten. Zoals het voor de duivel onmogelijk is om bij Gods Hart te komen en het uiteen te rijten zo is het voor de duivel onmogelijk om ze van Mij te scheiden. En omdat ze vanuit mijn standpunt als het zuiver­ste goud zijn, alhoewel ze met een beetje vuur worden getest, zal Ik ze niet verlaten. Immers, een grotere beloning ligt voor hen in het verschiet.


De roemrijke woorden van de Maagd Maria tot haar dochter over hoe zij zich moet kleden en welke sieraden zij moet dragen.

Boek 1 – Hoofdstuk 7

Ik ben Maria die geboorte heeft gegeven aan de Zoon van God, ware God en waarachtig mens. Ik ben de Koningin van de engelen. Mijn zoon bemint jou van ganser harte. Dus bemin Hem! Je moet je tooien met de nobelste kleding en Ik zal je laten zien welk soort kleding dat moet zijn. Zoals je altijd al een hemd, dan een tuniek, dan schoenen en een man­tel droeg, en op je borst een broche, moet je nu spirituele kleren dragen.

Het hemd vertegenwoordigt berouw. Zoals het hemd het dichtst op het lichaam wordt gedra­gen, zijn berouw en belijdenis de eerste weg tot een gesprek met God. Hier­door wordt de geest, die eens vreugde in de zonde vond, gezuiverd en wordt het onkuise lichaam bedwongen.

De twee schoe­nen zijn de twee wilsuitingen, namelijk het voornemen om eerdere over­tredingen te her­stellen en de intentie om goed te doen en afstand van het kwaad te nemen.

Je tu­niek is de hoop op God. Zoals een tuniek twee mouwen heeft zal er recht­vaar­digheid en barmhartigheid zijn. Op die manier zul je Gods gena­de ver­wachten terwijl je zijn rechtvaardigheid niet veronachtzaamt. Denk ook na over zijn rechtvaardigheid en oordeel terwijl je zijn genade niet veronachtzaamt, want zijn rechtvaardigheid werkt niet zonder de ge­nade net zomin als zijn ge­nade zonder de gerechtigheid werkt.

De mantel vertegenwoordigt het geloof. Zoals de mantel alles bedekt en omsluit kan de mens alles door het geloof de dingen begrij­pen en tot stand brengen. Deze mantel moet versierd worden met de tekenen van de liefde van de bruide­gom, die Hem ertoe heeft bewogen je te scheppen, vrij te kopen en voeden en ertoe leidde je in zijn Geest te brengen, een daad waardoor je spirituele ogen werden geopend.

De broche hecht de overpeinzing van zijn lijden stevig op je borst vast: van hoe Hij bespot en gegeseld werd, hoe Hij levend aan het Kruis hing, bloedend en in al zijn ledematen doorstoken, hoe zijn hele lichaam samentrok door de acute pijn van het lijden bij de nadering van de dood, hoe Hij toen zijn Geest in de handen van zijn Vader toevertrouwde. Draag die broche al­tijd op je borst.

Laat een kroon op je hoofd zetten, Ik bedoel hier de kuisheid mee in je begeerten, waardoor je eerder geseling wilt lijden dan verder te worden bevlekt. Wees bescheiden en waardig! Denk aan niets anders dan jouw God en schepper en wens niets anders. Als je Hem bezit, bezit je alles.

Zo getooid dien je je bruidegom op te wachten.


(wordt hier vervolgd)