Video met voormalige heks Doreen Irvine: ‘Die avond werd ik christen’

Doreen groeide op als oudste kind in een arm gezin waarvan de vader alcoholist was. Op een dag kwam ze uit school en vond het huis leeg: haar moeder was vertrokken met achterlating van een briefje waarin ze vertelde dat ze niet meer terug zou komen. Doreen zorgde zo goed mogelijk voor haar jongere zusjes tot ze een jaar of vijftien was. Toen trok ze naar Londen in de veronderstelling dat ze daar veel geld kon verdienen. Het duurde niet lang of ze werd prostituee en striptease-danseres. Op een dag namen twee satanisten haar mee naar een van hun bijeenkomsten; en voor ze het wist werd ze een van hen. “Ik werd satanist tijdens een walgelijke ceremonie. Ze maakten een snee in mijn arm en vingen mijn bloed op. Dat vermengden ze met het bloed van een witte haan. Ik moest het opdrinken. En ik moest een perkament ondertekenen waarop ik beloofde om satan voorgoed te dienen. Aan het eind van de ceremonie wist ik dat satan mijn heer en meester was en dat hij echt bestond.”

“Toen vertelde de leider van de satanisten dat hij een zwarte heks was, en hij nam me mee naar heksensamenkomsten. Het duurde niet lang of ik werd ook een zwarte heks. Mijn macht werd steeds groter. Zo was ik bijvoorbeeld in staat één à anderhalve meter boven de grond te zweven. Dat was geen bedrog. Ik werd geholpen door demonen. Iets anders wat ik deed was het doden van vogels in hun vlucht, nadat ze uit een kooi waren losgelaten. Ik kon voorwerpen laten verschijnen en weer laten verdwijnen. Zwarte heksen hebben de macht om een vloek op mensen te leggen en reken maar dat zo ’n vloek werkt. Hoe meer kwaad je doet, hoe beter, is het motto van satanisten en zwarte heksen.”

“Op een nacht waren we bijeen op Dartmoor. We hielden een bijeenkomst met dertien heksen. Door mijn buitenzintuiglijke krachten werd ik me bewust van de aanwezigheid van anderen, die niet bij ons hoorden. ‘Vreemdelingen’ werden die genoemd. Ik zei: ‘Stil, daar komt iemand aan.’ We hielden ons stil. Ik had gelijk, want ik zag het silhouet van twee mannen boven op de heuvel. Ze kwamen onze kant uit. De anderen zeiden: wat moeten we doen? Ik zei: ‘Ik kan mezelf onzichtbaar maken en dat kan ik met jullie ook doen, als je erin gelooft.’ Er was geen tijd om te overleggen of erover te kibbelen. We gaven elkaar een hand, hielden onze handen omhoog en riepen de duivel aan. Opeens waren we omgeven door een dikke, wervelende, groene nevel.”

“De mannen liepen onder onze armen door de kring binnen. Ze zagen ons niet en de nevel zagen ze evenmin. Toen zei een van hen: ‘Laten we naar huis gaan, dit is tijdverspilling. Er zijn geen heksen op Dartmoor.’ Ik had ze zo kunnen aanraken. Later las ik een verslag in de krant. Een verslaggever en een dominee hadden beweerd dat er heksen in Dartmoor waren, en ze waren erheen gegaan om het te bewijzen. Ze verklaarden dat ze geen heksen gezien hadden. Maar in een voetnoot stond dat de dominee wel had gezegd: ‘Toch waren ze in de buurt; ik kon de aanwezigheid van een kwade macht voelen.’”

“Door mezelf en de rest onzichtbaar te maken werd ik bekend onder alle heksen. Ik werd voorgedragen voor de titel: Europese koningin van de zwarte heksen. Elk jaar wordt er een nieuwe koningin gekozen tijdens een grote ceremonie. Heksen uit allerlei landen komen dan bij elkaar. Verschillende heksen, die genomineerd waren voor de titel, moesten het tegen elkaar opnemen in een soort wedstrijd. De belangrijkste proef was een ontmoeting met satan zelf. Daarbij moest satan gezien worden door de hele menigte; vijf- à zevenhonderd heksen. De heks moest het vuur in lopen. Dan moest satan verschijnen en de heks aan de hand nemen en ongeschonden door het vuur leiden.”

“Vol vertrouwen wandelde ik het vuur in, terwijl ik satan, mijn meester, opriep. Plotseling zag ik hem verschijnen: een grote, zwarte figuur. Ik pakte zijn hand en liep dwars door het vuur heen. In het midden bleef ik staan, terwijl de vlammen om mijn lichaam speelden. Ik rook geen geur van verbrand haar en mijn zwarte gewaad verbrandde niet. Iedereen wierp zich op de grond en riep: ‘Heil, Diana, koningin van de zwarte heksen.’ En ik voelde opnieuw dat er iets gebeurde, dat ik meer macht kreeg. Ik dacht toen dat dat goed was en ik was er blij mee. Een tijd lang genoot ik veel roem als koningin van de zwarte heksen, en ik leefde een leven van luxe.” “Later ging ik beseffen dat het kwaad was. Ik besefte dat het kwade machten waren, en dat ik steeds maar dieper en dieper zonk. Ik kreeg een groeiende vrees om ouder te worden en te sterven. Was de hel wel zo fijn als ik bij de satanisten had geleerd? Stel dat het precies andersom was? Toen probeerde ik om ermee te stoppen. Ik wilde eruit, want ik was niet gelukkig meer. Ik verlangde naar iets anders. Naar echte liefde. Ik besefte dat het allemaal onecht was en dat het kwaad was, en ik wilde ermee ophouden, maar ik voelde dat ze me constant in de gaten hielden. Ik was gewoon bang.”

“Op een gegeven moment kwam ik terecht in een grote evangelisatiesamenkomst. Ik had een haat tegen alles wat christelijk was en ik was er dan ook naar binnen gegaan met de bedoeling de bijeenkomst te verstoren. Maar wat ik daar hoorde over de liefde van Jezus raakte mij diep. Het drong tot me door dat niemand van me hield: de mannen op straat en in de cafés niet, de satanisten niet en de heksen niet. Maar nu hoorde ik dat Jezus wel van me hield en dat Hij die vreselijke duisternis kon wegnemen. Voor het eerst voelde ik me vuil en schaamde ik me over het leven dat ik geleid had.” “De evangelist riep hen die Christus niet kenden op om naar voren te komen en Hem aan te nemen. Op dat moment bulderde een vreselijke stem in mijn binnenste: ‘Je bent van mij, jij bent niet te redden, je hebt gezworen met je bloed. Voor jou is het te Iaat. Ga hier weg.’ Ik had het gevoel dat ik aan mijn stoel zat vastgeketend; ik kon de kettingen voelen. Bewegen was onmogelijk. En toen, als door een wonder, begon het koor te zingen: ‘Ik kom zoals ik ben; uw ongekende liefde heeft alle muren omvergehaald. Nu wil ik van U zijn.’ Op het moment van het ‘nu’ dacht ik bij mezelf: bekijk het maar met je heksen en je satanisme. Ik ga naar voren. Ik wil aanvaarden wat ze me hier aanbieden. Dat was eigenlijk erg moedig. Daarna ben ik naar voren gelopen, helemaal in tranen. ‘Ik kom, Jezus,’ zei ik. ‘Neem me aan in uw Koninkrijk. Neem alstublieft het donker weg.’ Die avond werd ik christen.’”

Daarna begon voor Doreen een lange moeilijke weg omhoog uit de duisternis. Want satan wilde haar niet zomaar laten gaan. Tot dusver had ze zich zonder reserves overgegeven aan drugs, prostitutie en hekserij, maar nu ze probeerde een christelijk leven te leven, merkte ze dat ze beheerst werd door een kwade macht binnen in haar, die haar dwong om precies die dingen te doen die ze wilde opgeven. Als ze in een kerk was en er werd iets gezegd over het bloed van Jezus, verloor ze alle controle en namen de demonen die haar leven beheersten bezit van haar. “Op een avond was ik in een kerkdienst en voelde me vreselijk. Het was alsof ik niets kon zien. De letters dansten voor mijn ogen. Ik voelde die krachten in me. Iets greep me bij de keel om me te vermoorden. En ik voelde een enorme haat jegens iedereen, vooral predikanten. Ik gooide zelfs zangboeken naar het altaar, zodat de dominee moest wegduiken. Ze probeerden me te kalmeren en toen gooiden ze me eruit. In een andere kerk woonde ik op een zondag het avondmaal bij. Ik hoorde later dat ik over de vloer had gekronkeld, en dat ik daarbij siste als een slang. Toen ik bij de schaal met brood kwam, gooide ik hem om. Brood en wijn vlogen door de kerk. Achteraf kon ik me er niets van herinneren. En zo ging het eindeloos door.” Uiteindelijk besloot een Baptistenvoorganger, die zelf ook geen raad wist met Doreen, de hulp in te roepen van Arthur Neil, een voorganger die bekend was met dit soort verschijnselen en met de bediening van bevrijding. Dit is zijn verhaal:

“Ik werd bij haar geroepen en ging naar haar huis, samen met een andere predikant. Toen ik de Bijbel opende, reageerde ze zeer verstoord. Ze besefte tot op zekere hoogte dat de Heer met mij was. Ik begon te lezen. En toen ik besefte dat er demonen in haar waren gevaren las ik het stuk voor uit het evangelie, waar Jezus zegt: ‘Als ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf, is het Rijk van God over u gekomen.’ Doreen reageerde zeer heftig.” “Kort daarna hadden we opnieuw een ontmoeting. Deze keer werd ik geconfronteerd met vijf demonen, onder wie die van hekserij. Ik verzeker u dat het een zeer reële ervaring was. De kwade krachten in haar gaven antwoord als ik hen aansprak. Zelfs als ik Grieks of Aramees sprak, begrepen ze wat ik zei. Ik dreef ze één voor één uit in de naam van Jezus. Daarna ben ik nog een aantal keren bij haar geweest. Al met al duurde het zeven maanden.” “De laatste keer zal ik nooit vergeten. Dat was in een Baptistenkerk in Bristol. Ik moest daar preken. Doreen had weekendverlof van de psychiatrische inrichting, waar ze op dat moment verbleef. Door een vreemd toeval, maar ik denk dat de Heilige Geest haar leidde, kwam ze in die kerk terecht. Na de preek was ze er opeens. Toen de dienst was afgelopen kwam ze naar voren, en de confrontatie begon om acht uur. Tot die tijd waren er al ongeveer dertig demonen bij haar uitgedreven. Die laatste avond werden er zestien demonen weggestuurd. De laatste heette Misleiding en had dezelfde stem als zij. Klokslag twaalf uur was ze geheel bevrijd. Dat was op 14 februari 1965. In de periode daarvoor, van juni tot februari, heeft de Heilige Geest me heel veel geleerd, en ik heb de macht en het gezag van Jezus over Doreen gezien.” Doreen zelf herinnert zich die laatste avond nog heel goed: “De laatste demon kwam om klokslag 12 uur tevoorschijn. Plotseling werd ik vervuld van de Heilige Geest. Ze zeiden later dat ik in tongen had gesproken. Het waren prachtige woorden. Ik straalde helemaal en ik heb de Heer gezien. Hij zag er prachtig uit en strekte zijn handen naar me uit. Hij was zuiver licht en liefde. En toen wist ik dat ik vrij was en dat ik van Hem was. Ik wist dat het voorbij was. Ze waren allemaal verdwenen.’”

Uit: Heynis, Betty (1996). Omega:wonderen in deze tijd. Kampen: Kok Voorhoeve.

https://heerserslaven.wordpress.com/2015/04/08/het-verhaal-van-doreen-irvine/

Het apostolaat van het gebed, offer en van de daad

DSCI0613 (2)

“Ik spreek heel eenvoudig tot je over verheven zaken, zo verheven dat de engelen er verstomd over staan”.

Uit het boek “Hij en ik” van Gabriëlle Bossis. Uit; Sint Petus Canisiusstichting.

De Vader spreekt:
Als Ik zie dat jullie naar Mij zoeken, zal Ik jullie dan ontlopen? Als Ik jullie angstig om Mij hoor roepen, zou Ik dan geen antwoord geven? Je weet het: de eerste mens, vol majesteit en goedheid, verwachtte Mij om zich bij Mij uit te spreken. Dan vond hij zichzelf op heerlijke wijze verzadigd bij die gesprekken met de Vader van zijn lichaam en geest.
Zo ook: Mozes, op de Sinaï. ZO de profeten. En zo de Zoon des mensen, in zijn eenzaamheid, ’s nachts en overdag. Zou je durven zeggen dat Ik de mensen ook nu niet tegemoet kom met de steun en troost van mijn Vaderschap? En daar de Godmens zich liet kruisigen in verschrikkelijke folteringen, om jullie, zie Ik Hem dan niet opnieuw in ieder van jullie? Hij, mijn Gezalfde, mijn enige Zoon? Ik hoor jullie stem en zijn stem. Mijn zegening daalt voor immer af over jullie die Mij getrouw wilt zijn. Geloof dat en beroof Mij niet van jullie roepen om hulp. Kun je je leven voorstellen zonder Mij? Zonder de heilige Communie? Of een vreugde die je niet met Mij deelt? Of een verdriet dat je Mij niet kunt toevertrouwen?

Bedenk dat er nu in de wereld kinderen zijn, die Ik liefheb en die Mij toch volledig vreemd willen blijven. Bid voor die armen. Jij bent juist daarom zo begiftigd met genadegaven ook opdat jij die anderen zou helpen. Vergeet dat niet!
Bid voor hen zoals je zou bidden voor Christus. Dat lijkt vreemd, niet waar? Maar bedenk dat alle mensen voor Mij zijn als zoveel Christussen. Je arbeidt niet aan de bekering van de mensen, omdat je die bekering nog niet ziet. Maar eens zullen de mensen die door jullie hulp gered werden, jullie met luid geroep hun dankbaarheid en liefde toeroepen. Want in de hemel heeft men elkaar zeer lief.
Daarom mijn kind: Draag zorg voor het Lichaam van Christus en voor zijn ledematen. Eer zijn Bruid, de kerk. Er is ter wereld niets zo groot, zo kostbaar, zo uitmuntend als de heiligheid van Christus, de Bruidegom, en van zijn Bruid: de kerk, behalve de glans van de Drieëenheid die alles wat haar toebehoort omvat en verlicht.

Waarom Ik je vraag om te bidden? Omdat het gebed de genade in werking stelt. Het is als de vlam die de kaars aansteekt. De eerste poging komt van de mens. Dan komt God. Altijd samen. Nooit God alleen, nooit alleen de mens. God en mens gaan samen. Zo is de wet van mijn liefde. Vind je die niet wijs en goed? Zou je vreugde niet groter worden als je onze eenheid verhaast door je verlangende beden en je uitroepen van liefde? Ik vind het heerlijk om door jullie uitgenodigd te worden. Wees niet bang om Mij te zeggen dat jullie naar Mij verlangen. Maak dat jullie Mij levendig voor de geest staan en spreek o direct mogelijk tot Mij. Dat is echt gebed: Het smeekgebed, het gebed van lof en dank, het gebed dat geheel liefde is. Geloof je ook niet dat zo’n liefdevol gebed, onmiddellijk op Mij gericht, zeer welsprekend is?
Heer, onze moeilijkheid is dat wij U die we liefhebben niet zien. Dan hebben wij lief in het halfdonker. Maar jullie hebben mijn leven en mijn dood toch tot in bijzonderheden? Kunnen jullie Mij niet waarnemen op deze of gene bladzijde van het Evangelie? En heeft jullie geloof geen oefening nodig en gelegenheid om verdienstelijk te zijn?
Zalig zij die geloven. Zalig zij die liefhebben zonder gezien te hebben. Het rijk van de heiligen, dat ben Ik, behoort hun toe.
En wat te zeggen van hen die Mij doen kennen aan anderen: de missionarissen, de verkondigers van het woord Gods, de schrijvers? Zij zullen een dubbel aandeel in het hemels gastmaal genieten: hun eigen deel, en delen in dit van hen, die zij er hebben binnengeleid. Zelfs degene die, al ware het maar een Onze Vader leert aan een enkel kind, of het heeft geleerd te zeggen: “Mijn God, ik houd van U”, zal mijn vreugde en dankbaarheid ervaren. Hij zal een nieuwe hemel smaken, want hij heeft Mij verheerlijkt. Kind, bid en houd niet op te bidden! Denk aan Christus tijdens zijn leven als Hij nachten in gebed doorbracht, en toen Hij bad aan het kruis. Voor wie bad Hij? Voor jou en alle mensen. Bid ook jij voor de anderen. Dan zal God zorgen voor jou.

Als je Mij beschouwt als de Liefdevolle, dan zie je het op de enig ware wijze. Ga in je herinneringen terug, dan zie je met hoeveel zorg Ik je omringd heb.
Heer, U hebt mij verladen! nu, verbaas je dan niet als Ik je vraag dat ook jij je medemensen overlaadt met goedheid, en wel allen: goeden en kwaden, mijn vrienden en mijn vijanden. Jij bent een kleed, geheel geweven van mijn barmhartigheid. Laat dit kleed allen bedekken die tot je omgeving behoren. Ik zal jou alles geven wat je daartoe nodig hebt, en tegelijk aan je naaste de nodige ontvankelijkheid. Maar je moet alleen handelen door Mij, en in mijn Naam. Want als het van jou afhangt… Maar dat weet je wel.
Laat geen gelegenheid voorbijgaan om dichter bij Mij te komen, en om Mij dichte bij de mensen te brengen. Je bereidt Mij er een grote vreugde mee. Later zal je de schoven tarwe zien, die je Mij gaf, en waarvan je niet wist dat je ze Mij gaf. Zeg me hoeveel schoven je nog bijeen wilt brengen voor mijn schuren. Zoveel zondaars! Zoveel heidenen! Zoveel ontrouwe christenen!… Aarzel niet om jezelf daarvoor aan te bieden. Wie zal Mij helpen als jullie, mijn trouwe vrienden, het niet doen!

DSCI0266

Ik heb op aarde nog langs vele wegen te gaan. Ik heb boodschappen die Ik overal moet laten doorklinken. Anderen gebruiken daarvoor radio. Ik bedien Mij van heel gewone mensen, van jou. Je bent geschapen naar mijn beeld en gelijkenis. En de liefde bindt ons.

Laat in je leven zien dat je mijn leerling bent. Laat Mij door jou bij de mensen voortleven. Mag Ik rekenen op jou? Jij kunt altijd rekenen op Mij! Mag Ik dit of dat werk voor mijn Rijk aan jou toevertrouwen?Dierbare Meester, ik ben U alles verschuldigd. Wil je werken aan de bekering van hen die je kent, en met wie je vertrouwelijk omgaat? Er zijn er die gevaar lopen. Weet je nog dat N.N. tegen je zei: “Wie zal voor me bidden als jij het niet doet.” Hij dacht aan zijn zondige relaties. Bid dus uit heel je hart voor de mensen die in geestelijke ellende zitten. Jij bent altijd in mijn gedachten en altijd zie Ik naar jou. Laat Mij ook steeds in jouw gedachten zijn en zie met blijdschap en liefde naar mij. En wees de brenger van mijn goed nieuws aan mijn broeders en zusters.

Voor de Vader, die alle tijden tezamen ziet, ben Ik nog altijd gekruisigd, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt. Bied uit het diepst van je hart, vol liefde, dit brandoffer aan voor de redding van de wereld. Ia de wereld er niet méér dan ongelukkig aan toe? Kan de wereld zonder Mij herrijzen? Ik wil de wereld helpen, maar de wereld weigert mijn hulp. Spreek tot de Vader over zijn Zoon aan het kruis: dat Hij erbarme, dat Hij het Licht moge zenden aan de blinden en verstokten, aan hen die niet van Hem willen weten. Je spreekt tot een Vader, die ziet dat zijn Zoon sterft. Zal die Vader zich niet haasten om de laatste bede van zijn kind te verhoren? Jezus bede was: “Vader, vergeeft het hun, want ze weten niet wat zij doen.” Dit woord geldt ook nu. Een liefde zoals die van de Vader, zo sterk, zo trouw, zo verterend, zo vol fijn gevoel. Zo in niets gelijkend op alles wat je kent op aarde: een voldongen liefde. Die liefde is er nú.

DSCI0562 (2)

Geef er jezelf rekenschap van hoeveel je op één dag kunt bijdragen voor de bekering van de wereld! Beschouw mijn eindeloze macht en mildheid. Op aarde is mijn gerechtigheid gebonden door mijn barmhartigheid. Die barmhartigheid wordt bewogen door de beden van hen die Ik liefheb. Reken meer op mijn vergevingsgezindheid, zowel wat jezelf aangaat als wat betreft degenen die je Mij aanbeveelt. Je moet ver uitgaan boven al je verwachtingen. Geloof in een echt goddelijke vrijgevigheid. En bedenk: je zult worden verhoord in de mate dat je gelooft. Verwacht wat heel buitengewoon is. Heb je dat zelf al niet ondervonden? En versterkt dat je geloof en vertrouwen niet? Want Ik ben het die voorbijkomt. En kan Ik anders voorbijkomen dn als God? Vergelijk je met een zeeschip waarvan de dekken en ruimen worden versterkt, dat kostbare lading inneemt en dan met volle zeilen uitvaart om de lading veilig en snel naar verre kusten te brengen. Die verwachten het schip misschien wel niet, maar ze zijn gelukkig met de meegebrachte goederen. En stil gaat het grote schip weer terug over de gladde wateren om nieuwe lading in te nemen. En weer zal het alles wat het bevat afleveren. Kom lading innemen. Wees er zeker van dat je die krijgt.

Heb je niet een dubbel huis: de voorgevel en het interieur? Graag trek je je terug in je binnenste om Mij daar af te wachten. En als Ik zie dat je Mij verwacht kom Ik met al mijn gaven. Als jij door iemand wordt uitgenodigd, breng je altijd een cadeautje mee. En als je heel rijk was, zou je iets kostbaars meebrengen. Ik ben zeer rijk. Maar als een fijngevoelige vriend wil Ik niet te veel nadruk leggen op mijn gave en bied Ik je die op een onopvallende manier aan. Het kan dan de schijn hebben alsof het vanzelf kwam. Groot is mijn vreugde als jij dan zegt: “Hij was het.” Deze gave zal je innerlijk verrijken, maar moet ook naar buiten stralen. Je hebt niet het recht om mijn Licht verborgen te houden. Want het is de hoogste tijd dat het geheim van de Koning voor allen openbaar wordt gemaakt, zodat het Hart van de Koning alom beter begrepen en bemind wordt. Want wanneer Ik mijn liefde uitspreek aan een enkeling, dan verlang Ik vurig dat men begrijpt dat dit woord, tot een enkeling gesproken, voor allen geldt. Ik wil op aarde een vuur ontsteken. Dat vuur moet als een prairiebrand om zich heenslaan. Het moet gaan van dit land tot aan de verste einden van de aarde. Dan pas zal Ik als een jager, voldaan over de jacht, gaan rusten met mijn trouwe vrienden. Dan pas zal mijn opdracht als Verlosser vervuld zijn. Op de laatste dag, de dag van de grote triomf, zal Ik Mij voor stellen aan de Vader, samen met de door Mij geleide getrouwen. Mijn kind, laat alles wat de mensen bij je kunnen waarnemen, tot hen spreken van Mij; laat Mij geopenbaard worden in jou. Openbaar mijn liefde en barmhartigheid aan de onwetenden, de verbaasden, de zoekenden, de vreesachtigen, de lijdenden. Ik ben er voor iedereen. Help Mij dat ze dit inzien en laat ze naar Mij toekomen… Ik zal ze nooit meer laten gaan… want het is God die liefheeft…

Bron: https://greeth.wordpress.com/2016/01/18/het-apostelaat-van-het-gebed-offer-en-van-de-daad/